Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

profeet zegt: in het laatste vers had hij gezegd, dat zij de altaren hadden vermenigvuldigd om te zondigen; maar, gelijk ik zeide, zoo groot was de hardnekkigheid des volks, dat zij het volstrekt met wilden verdragen, dat hun dit gezegd werd. Dan voegt hij er bij, sprekende in den naam van God, dat

wekenWCt WM gegeven' maai' dat ziJ er van wai'en afge-

Hieruit zien wij, dat het niet noodig is veel woorden te gebruiken in den strijd tegen de bijgeloovigen, die driest allerlei sooiten van Gods vereering verzinnen, gansch verschillend van hetgeen God gebiedt; want die ééne zaak moet hun duidelijk en nadrukkelijk gezegd worden, dat God meer acht geeft op gehoorzaamheid, dan op offeranden, en voorts, dat wij eenvasten regel hebben in de wet, en dat God ons niet slechts gebiedt Hem te aanbidden, maar ons ook leert, hoe wij Hem moeten aanbidden, en dat het niet geoorloofd is daarvan af te wijken. Daar alzoo de wil Gods bekend en duidelijk gemaakt 18, waarom zouden wij dan nog twisten met menschen, die hunne oogen moedwillig sluiten, en zich ter zijde afwenden en zich niet verwaardigen op God acht te slaan P Ik heb dus' geschreven, zegt de Heere: en om aan deze waarheid meer gewicht bij te zetten, voert hij God zelf als spreker in. Het zou wel genoeg zijn geweest te zeggen : „God heeft u Zijne wet gegeven, waarom zoekt gij niet veeleer uit deze wet kennis te verkrijgen, dan uit uw eigen vleeschelijk oordeel? Waarom wilt gij dus wetteloos dwalen, alsof u geene verplichtingen waren opgelegd ?« Maar het is eene krachtiger wijze van

3T£X * Ik h6b Mijne wet Schreven, maar

zij hebben haar als iets vreemds geacht ; dat is : alsof zij hun niet aanging. J

Maar hij zegt, dat Hij aan Israël geschreven had. Hij spreekt niet eenvoudig van schrijven, hij zegt, dat de schat aan het volk van Israël was toevertrouwd, en des te slechter was dus het volk, omdat zij met erkenden, dat hun zoo groot eene eer \vas aangedaan, want dit was hun bijzonder erfdeel. 11c heb dus Mijne wet geschreven, „en Ik heb haar niet, zonder onderscheid voor allen geschreven, maar Ik heb haar geschreven

vr^md Jn- l1 ï°ren u°lk; maar zij hebben haar als iets vreemds, iets uitheemsch geacht/'. Want het woord kan in beiderlei zin worden gelezen.

Hij voegt er bij : De groote, of de kostelijke, of de eervolle dingen Mijner wet. Had Hij gezegd : „Ik heb u Mijne wet geschreven", de Wetgever zelf was ongetwijfeld zóó waardig, dat allen zich met den grootsten eerbied aan Hem behoorden té ondeiwerpen, en hun geheele leven overeenkomstig Zijn' wil zouden regelen ; maar de Heere roemt Zijne eigene wet door

Sluiten