Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene schoone lofrede, en dit doet Hij om de boosheid der menschen te beteugelen, die hare waardigheid en voortreffelijkheid zouden willen verkorten. Jk heb geschreven, zegt Hij, degroote dingen Mijner wet. „Hoezeer zij Mijne wet ook mogen verachten, toch heb Ik er eene wijsheid in geopenbaard, die dooide geheele wereld bewonderd moet worden ; Ik heb er de verborgenheid der hemelsche wijsheid in aan het licht gebracht. Daar dit nu zoo is, welke verontschuldiging kan er dan zijn voor de Israelieten, dat zij Mijne wet verachten ?" Hij zegt, dat zij haar als iets vreemds achtten, terwijl zij toch opgevoed zijn onder hare leering, en de Heere hen van hunne kindsheid at' tot zich had geroepen. Dewijl zij dus de wet Gods hadden moeten erkennen als eene banier, waaronder de Heere hen had bewaard, verwijt hij hun hier, dat zij haar als iets vreemds hadden beschouwd. Nu volgt: —

18. Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vleesch, en eten het, maar de Heere heeft aan hen geen welgsvallen. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid gedenken, en hunne zonden bezoeken ; zij zullen weder in Egypte keereu.

De Schriftverklaarders zijn van meening, dat de Israelieten hier bespot worden, omdat zij op hunne ceremoniën betrouwden, en dat hunne offeranden smadelijk vleesch genoemd worden' Maar wij moeten zien, of de woorden van den profeet geen dieperen zin hebben. Want het woord wordt do°r

sommigen, naar mijn inzien terecht, aangeduid als beteekenende „offeranden", hetzij verbrand of gebraden ; het is een woord van vier letters. 'Anderen leiden het af van hetwelk

„geven" beteekent, en dus vertalen zij „offeranden Mijner gaven" ; en dit is de meer algemeen aangenomene meening. Ik acht, dat de profeet de Israelieten hier niet slechts laakt,

omdat zij ijdellijk hun vertrouwen stelden op hunne ceremoniën,

die verdorven en slecht waren, maar dat hij spreekt van iets dat nog grover is, en waardoor bewezen kon worden, dat hunne dwaasheid bespottelijk was, zelfs in de oogen van oningewijden of van kinderen. Als wij slechts lezen: „De offeranden Mijner gaven", die zij Mij hadden behooren te offeren, schijnt de zin onbeduidend ; maar als wij lezen : De offeranden Mijner brandoffers! Zij offeren vleesch, dan is de beteekems: Zoo duidelijk en tastbaar is hunne minachting, dat zij zelfs door kinderen moeten veroordeeld worden. Waarom ? Omdat zij Mij voor brandoffers vleesch offeren ; dat is : zij vreezen, dat er iets van

Sluiten