Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te waardeeren voorrecht, als het ons vergund is ons van alle onreinheid te onthouden, en God in reinheid te aanbidden, zoodat niemand zich verontreinige door veinzerij; maar als wij onder de tyrannie der goddeloozen gedwongen worden tot meedoen in onreine bijgeloovigheden, dan is dit een teeken van een ontzettend oordeel Gods; en er is niets, waarmede men zich te dien opzichte kan verontschuldigen, of zijne schuld kan verminderen, gelijk velen doen, wier geweten knaagt, hoewel zij denken te volstaan met hunne verontschuldigingen bij de menschen aan te komen. Maar er is niets, waardoor zulke menschen zichzelven kunnen vleien, of de oogen der eenvoudi^en kunnen verblinden ; want het is de uiterste versmaadheid, als menschen, die Gode geheiligd behoorden te zijn, en Zijne zuivere aanbidding ook naar buiten moesten belijden, zich laten verontreinigen met onreine spijzen. Nu volgt: —

4. Zij zullen den Heere geene dankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hunne offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden: want hun brood zal voor hunne ziel zijn, het zal in des Heeren huis niet komen.

Het is onzeker, of de profeet hier getuigt, dat zij, als zij Gode offeranden brachten, hunne moeite en hunne olie, zooals men zegt, zouden verliezen ; of dat hij verklaart, wat het geval zal zijn, als zij in ballingschap gedreven zullen worden. Beide beschouwingen kunnen waar zijn. Beschouwen wij de woorden van den profeet als betrekking hebbende op den tijd der ballingschap, dan schijnen zij daar wel goed mede overeen te komen : „Dan zullen zij voor Jehovah geen' icijn uitstorten, en hunne offeranden zullen Hem niet aangenaam zijn; geen offerande zal meer in Jehovah's tempel komen". Aldus verstaan velen deze Schriftuurplaats; maar de andere beteekenis voegt het best, gelijk uit het context gemakkelijk gezien kan worden. De proleet zegt, dat zij geen wijn meer zullen uitstorten voor Jehovah, en dat hunne offeranden Hem niet welbehaaglijk zullen zijn, en dan voegt hij er bij : Allen die eten zullen, zullen verontreinigd worden. Het schijnt volstrekt niet passend gezegd te kunnen worden voor ballingen, dat zij te vergeefs wijn zullen uitstorten voor God; want hun Godsdienst verbood hun dit. En als hij zegt: Hunne offeranden zouden hun zijn als treurbrood, — dan moet dit verstaan worden van offeranden, die zij dagelijks aan God plachten te offeren; want (gelijk reeds gezegd is) in de ballingschap was het hun niet geoorloofd offeranden te doen ; ook hadden zij daar geen altaar en geen heiligdom.

Sluiten