Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volk, die er zich op toelegden te liegen, ten einde zich aldus gunst van het volk te verwerven ; en deze eerzucht heeft ten allen tijde geheerscht; soms zijn de menschen ook zoo zeer door baatzucht en gierigheid bevangen, dat zij met hunne vuile tong alle ondeugden, hoe grof ook, verontschuldigen, en alle bedreigingen nalaten. Dit is het wat de profeet in de eerste plaats aantoont, en daarna, dat de menschen zonder daar eenig nut of voordeel uit te trekken, zich toegeven in hunne ondeugden, als er niemand is, die hen strengelijk bestraft, of hen vrijmoedig vermaant en opwekt tot bekeering; en dat, hoewel allé profeten hun hoop geven op veiligheid en behoud, zij toch zullen omkomen; want de menschen kunnen door hun stilzwijgen God niet weerhouden van ten laatste het oordeel uit te voeren. Ja wij moeten wèl in gedachten houden, dat God de menschen spaart, als Hij hen niet spaart, dat is : als Hij hen kastijdt, hen bestraft wegens hunne zonden en hen door vreeze en verschrikking in bedwang houdt, dan wil Hij hen sparen. En van den anderen kant; als God spaart, dan spaart Hij niet; dat is: als Hij voor hunne zonde de oogen sluit, en de menschen over laat aan het goeddunken hunner harten, zonder hun toom of breidel te laten gevoelen, dan spaart Hij hen in geenen deele, want Hij bestemt hen ter verwoesting en ondergang.

Sommigen vertalen de uitdrukking ffde man des geestes" door „de°man des winds" ; en sommigen door //de dweepzieke man", maar naar mijn oordeel vergissen zij zich ; want ik twijfel niet of de profeet bedient zich hier van een' eeretitel, doch alleen bij wijze van concessie, of toegeven. Hij noemt dus diegenen mannen des geestes, die vanwege hun ambt profeten waren, maar misbruik maakten van dien titel, evenals zij, die zich heden ten dage pastoor (herder) noemen, in werkelijkheid slechts roofgierige wolven zijn. Gelijk wij weten, hebben de profeten altijd verklaard, dat zij niet spraken naar hun eigen verstand hun dat ingaf, maar naar hetgeen de Geest Gods hun gebood te spreken. Vandaar dat zij mannen des Geestes waren, dat is, geestelijke mannen; want wij weten dat de Hebreen den tweeden naamval gebruikten om uit te drukken wat wij door een bijvoegelijk naamwoord aanduiden. De profeten waren dus mannen 'des Geestes. Dien naam, op zich zelf zoo heerlijk en eervol, staat hij toe aan bedriegers, maar in den zelfden zin als wanneer ik in het algemeen spreek van leeraren, want daaronder begrijp ik dan de valsche zoowel als de ware. Dit is dus de wezenlijke beteekenis van die uitdrukking, gelijk wij ook uit het context kunnen zien, want hij zegt tweemaal hetzelfde ^"031"! TIK- Dwaas is de profeet, en dan nnn waanzinnig is de man des geestes. Daar hij

Sluiten