Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel vurigheid en warmte van liefde wordt te kennen gegeven; maar hetzelfde onderwerp wordt er behandeld, en met hetzelfde doel, nl. om te bewijzen, dat God Zijn volk is voorgekomen in liefde. Er bleef, in dit geval, minder verontschuldiging ovei, als de menschen God, die hen roept, verwerpen, en Zijne liefde niet beantwoorden. Eene zoodanige slechtheid zou nauwelijks onder de menschen geduld worden. Indien iemand mij vi ij willig liefheeft, en ik zou hem met geringachting behandelen, dan zou dit een blijk wezen van hoovaardij en ruwheid ; maar als God zelf ons uit vrije goedheid met vriendelijkheid behandelt, en als Hij, niet tevreden met ons gewone liefde te bewijzen, ons beschouwt als heerlijke, liefelijke vruchten, verraadt dan de versmading van deze liefde, de minachting van deze gunst van onze zijde, niet de snoodste verdorvenheid ? Nu verstaan wij dus de bedoeling van den profeet. In de eerste zinsnede zegt hij, sprekende in den naam van God : „Ik heb Israël liefgehad, zooals een reiziger druiven liefheeft, als hij ze vindt in de woestijn, en zooals men de eerste rijpe vijgen pleegt liet te hebben ; daar Ik dan zulk een groot welbehagen in hen heb gehad, hadden zij, van hun' kant, Mij dan niet behooren te eeren P Had niet Mijne vrijmachtige liefde hun hart moeten doen ontvlammen, zoodat zij zich gansch en al aan Mij toewijden ?*

Maar ziJ gingen in tot Baal-Peor. Aldus vertaal ik het werkwoord *^2, en in die beteekenis wordt het in vele andere plaatsen gebezigd. Want de Hebreën zeggen „zij gingen in" om op kiesche wijze de gemeenschap tusschen een man en zijne huisvrouw aan te duiden. En niet zonder reden vergelijkt de proleet de offers, die het volk aan Baal-Peor offerden bij overspel, daar zij als de omgang waren tusschen een' overspeler en eene hoer. Zij gingen dus in tot Baal-Peor, en hij voegt er bij, dat zij zich afzonderden. Sommigen verklaren het woord -ft] als betrekking hebbende op aanbidding of Godsvereering, en dat het dus beteekent dat zij zich aan Baal-Peor wijdden! Anderen leiden het af van -ft* in Niphal, hetgeen dan „vervreemd zijn" beteekent. Ik neem het echter over in denzelfden zin als wanneer Ezechiël zegt (Hoofdst. 14 : 7): „Zij hebben zich van achter Mij afgescheiden", i v»n achter Mij,

dat is: dat zij Mij niet volgen. God verwijt hier het volk, dat zij hunne hoererijen gevolgd zijn, en aldus'het heilige huwelijk hebben verworpen, dat God met al Zijn volk aangaat. Daarom lees ik die twee volzinnen als met elkander in verband: „De Israelieten gingen in tot Baal-Peor, gelijk een overspeler ingaat tot eene hoer ; en zij zonderden zich af; want zij verloochenden God, en schonden de Hem beloofde trouw; zij gaven het geestelijk huwelijksverbond op, dat God met hen gemaakt had".

Sluiten