Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelen zij nu, die niet zoo veel gematigdheid gekastijd werden ? Zoodra zij zich weder kunnen herstellen van de hun toegebrachte slagen, laten zij zich vervoeren door hun' lichtzinnigheid, en worden overmoedig tegen God. Wij zien, dat ook in onze dagen dit kwaad de overhand heeft in de wereld, zooals dit ten allen tijde geweest is. Wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen, dat de profeet dit hier aan Israël verwijt; maar tevens is het betamelijk om deze leer ter onzer eigener onderwijzing toe te passen. Wanneer de Heere ons dus spaart, en ons, na ons gekastijd te hebben, weder toegevendheid betoont, en ons herstelt en weder opricht, zoo laat ons wel toezien, dat wij onze vorige zonden niet vergeten, maar laat Zijne kastijding steeds haren invloed op ons uitoefenen, ook als God er een perk aan heeft gesteld en haar heeft doen ophouden. Want de strekking van hetgeen de profeet leert, is, dat de menschen den toorn Gods niet behooren te vergeten, hoewel Hij niet altijd en niet voortdurend de roede gebruikt; maar zij moeten bedenken, dat de Heere dus zachtkens met hen handelt, opdat zij meer tijd zouden hebben om zich te bekeeren, en dat hun deze wapenstilstand is toegestaan, opdat zij kalm en rustig kunnen nadenken over hunne zonden.

Maar hij zegt: Naar de goedheid van hun land hebben zij goed gedaan in opgerichte beelden. Ik heb te voren reeds gezegd, dat sommigen daar de beteekenis aangeven, dat zij goede beelden gemaakt hebben, en zij nemen dan //goed" in den zin van //fijn" of //fraai". Maar ik herhaal het voorzetsel ^ vóór altaren. Als de profeet zegt, dat Israël de altaren voor zich vermenigvuldigde, dan staat er letterlijk, dat hij vermenigvuldigde in altaren, of met betrekking tot altaren. Zoo is het hier ook juist om te herhalen, dat zij goed deden met betrekking tot beelden. Maar er is eene concessie in het werkwoord want het is zeker dat zij zwaar zondigden; zij zouden den toorn Gods niet hebben opgewekt, indien zij niet goddelooslijk gedaan hadden in altaren en beelden. Maar de profeet spreekt ironisch van de verdorvene Godsvereering, zooals wanneer wij heden ten dage zeggen, dat de papisten razend zijn in hunne goede bedoelingen, als ik nu hunne bedoelingen goed noem, dan ken ik ze eene hoedanigheid toe, die zij eigenlijk niet hebben. Het is dus overeenkomstig hunne zienswijze, dat de profeet hier spreekt; maar hij zegt ironisch, dat zij goed deden in beelden ; dat is : dat zij zichzelven toeschenen zeer heilige aanbidders van God te zijn, want zij maakten een groot vertoon van ijver. Het was, zooals men zegt, een onzinnige ijver. Maar er scheen nog iets meer dan blinde hardheid, daar zij het misnoegen des Heeren, waaraan zij door zulke blijkbare teekenen herinnerd waren, zoo spoedig vergaten. Nu

Sluiten