Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbeduidend, dat Mattheus slechts eene vergelijking heeft gemaakt. Want het betaamt ons wel te overwegen, dat God, toen Hij voormaals Ziju volk uit Egypte heeft verlost, slechts door een zeker soort van voorspel, of inleiding, de verlossing getoond heeft, die Hij tot aan de komst van Christus uitstelde. Gelijk dus het lichaam uit Egypte in Judea geleid werd, zoo is ook ten laatste het Hoofd uit Egypte gekomen, en toen heeft God Hem getoond als den waren Verlosser des volks. Dat is dus de beteekenis. Mattheus past dus deze plaats zeer juist toe op Christus, dat God Zijn' Zoon van Zijne eerste kindsheid af heeft liefgehad, en Hem uit Egypte heeft geroepen. Tevens weten wij, dat Christus in een verschillend opzicht van het volk van Israël de Zoon van God wordt genoemd; want de kinderen Abrahams zijn door aanneming tot kinderen van God gemaakt, maar Christus is van nature de eengeboren Zoon van God. Maar het Hoofd moet Zijne eigene waardigheid behouden, opdat het lichaam in zijn' ondergeschikten staat blijve. Hierin is dus niets strijdigs of onbestaanbaars. Maar wat betreft de beschuldiging van ondankbaarheid, waardoor zoo groot eene gunst van God niet erkend werd, die kan den Persoon van Christus niet gelden, gelijk wij wel weten; ook is het niet noodig om in dit opzicht naar Hem te verwijzen, want ook uit andere plaatsen zien wij, dat niet alles op Christus kan toegepast worden wat van David gezegd is, of van den hoogepriester, of van de nakomelingen van David; hoewel zij typen van Christus geweest zijn, want er is altijd een groot verschil tusschen het wezen en het symbool. Laat ons nu voortgaan.

2. Maar gelijk zij henlieden riepen, alzoo gingen zij van hun aangezicht weg ; zij offerden den Baals, en rookten den gesneden beelden.

De profeet wijst opnieuw op de ondankbaarheid des volks, daar zij hunne verlossing niet in gedachten hielden. Het woord ,/geroepen" moet hier in een' anderen zin worden genomen. Want God heeft het volk, of Zijn Zoon, krachtdadig geroepen uit Egypte : en wederom heeft Hij, door de uitwendige slem of het onderwijs door zijne profeten, geroepen. Daarom moet, als Hij te voren zeide, dat Hij Zijn' Zoon uit Egypte heeft geroepen, dit verstaan worden van de wezenlijke bevrijding; maar als Hij nu zegt: Zij hebben hen geroepen, dan moet dit verstaan worden van onderwijzen. De naam der profeten is niet uitgedrukt, maar dat zij bedoeld worden is duidelijk. En de profeet schijnt met opzet in een'algemeenen, of onbepaalden zin gezegd te hebben, dat het volk geroepen was, opdat het

Sluiten