Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit schijnt mij te gezocht. Ik keur wel de meening niet af, dat de profeet hier verwijst naar vlekken en dorpen, die, als het ware, de aanhangsels zijn van steden, zooals zich hier en daar takken uitspreiden van den boom, en dan voegt de zin hier niet slecht, dat het zwaard vlekken en dorpen zal verteren, als het op de steden zal vallen. Maar wat ik reeds gezegd heb van grendelen schijnt mij meer te passen bij de bedoeling van den profeet. Tevens moeten wij het woord beschou¬

wen als te kennen gevende een deel voor het geheel ; want grendelen of sluitboomen waren slechts een deel der vestingwerken ; maar de poorten gesloten en gegrendeld zijnde, versterken de steden. Zoo kan dan deze plaats, als uitdrukkende een deel voor het geheel, in dier voege verklaard worden, dat het zwaard, als het op steden valt, alle sterkte, alles wat zij aan verdedigingsmiddelen bezitten, zal verteren.

Tegelijk vermeldt hij de oorzaak. Vanwege hunne beraadslagingen, zegt hij. Ongetwijfeld heeft hij er die uitdrukking bijgevoegd, omdat de Israelieten dachten zeer wijs te zijn; want goddelooze menschen schrijven zich zei ven veel wijsheid toe, en dit doen zij, om dan, als het ware, van hunne hoogte neer te zien op God, en alle onderwijs te belachen. Dewijl dan zij, die God verachten, zoo wijs zijn in hunne eigene oogen, en zoo sterk door hunne eigene beraadslagingen, toont de profeet aan dat de oorzaak van der Israelieten verderf zal zijn, dat zij door deze duivelsche wijsheid opgeblazeu zijn, en zich niet willen verwaardigen het Woord des Heeren te gehoorzamen.

7. Want Mijn volk blijft hangen aan de afkeering van Mij ; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.

Dit vers is verschillend overgezet. Sommigen verklaren het woord □"'Klbn a^s beteekenende ,/verward", of onduidelijk, alsof de profeet gezegd had, dat het volk eene gerechte straf zou ondergaan in het angstig en verlegen rondzien, zonder ergens troost te vinden ; want dit zou het loon wezen van hun' afval en ontrouw. Daarom zegt hij : Mijn volk verkeert in spanning; dat is : geen wonder, dat de Israelieten thans gekweld worden door grooten angst en bezorgdheid, en geen einde zien aan hunne rampen, want zij hebben gerebelleerd tegen den Heere, en zijn dus waardig om aldus door Hem in banden te worden gehouden. Het is de vrucht van hunne ontrouw, dat zij thans zoo vervuld zijn vau smart en van wanhoop. Dat is ééne uitlegging. Anderen zeggen, dat God hier klaagt over de boosheid des volks, als over hen, die er over beraadslagen

Sluiten