Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter aanneemt, dat Hem vreemd is, voor zooveel dit met het oog op onze zaligheid noodig is. Zoo is het in deze plaats. Het is niet te vergeefs dat God zich hier voorstelt als onzeker, of onbeslist, want hieruit leeren wij, dat Hij zich niet plotseling laat vervoeren tot straffen, al is het ook, dat de menschen Hem op allerlei wijzen tot toorn verwekken. Dat is het dus wat God door deze wijze van spreken te kennen wil geven. Maar intusschen weten wij, dat het zeker is wat Hij doen zal, en dat Zijn raadsbesluit niet afhangt van den vrijen wil des menschen ; want het is Hem niet onbekend wat Hij doen zal. Het is dus niet ten opzichte van zichzelven, dat God beraadslaagt, maar in betrekking tot de menschen. Dat is ééne zaak.

Maar wij moeten ook in gedachten houden wat ik reeds gezegd heb, nl. dat de profeet hier trotsche en goddelooze verachters verschrikken wil door hun hun eigen verderf voor oogen te houden, en door aan te toonen, hoe weinig er aan scheelde, of het oordeel van Gomorra en de andere steden had ook hen getroffen. „Want wat blijft er over", zegt de Heere, dan dat Ik u stelle als Sodom en Zeboïm ? Deze toestand en deze vergelding wacht u, indien Ik het oordeel uitvoer, dat, als het ware, reeds besloten is". Niet, alsof God dit onmiddellijk zal doen ; Hij herinnert de Israelieten slechts aan hetgeen zij verdienden, en aan hetgeen er met hen zou gebeuren, tenzij de Heere genadiglijk met hen handelde. Dit wat betreft het eerste gedeelte van het vers.

Maar als Hij zegt, dut Zijn hart was veranderd, en dat Zijne berouwingen waren wedergekeerd, dan wordt wederom dezelfde menschelijke wijze van spreken gevolgd; want wij weten, dat die gewaarwordingen Gode niet eigen zijn; Hij kan door geen berouw worden bevangen, en Zijn hart kan geene veranderingen ondergaan. Het zou goddeloos zijn zoo iets te denken. Maaide bedoeling is aan te toonen, dat, indien Hij met het volk van Israël wilde handelen naar dat zij verdiend hebben, zij zouden thans Sodom en Gomorra gelijk gemaakt worden. Maar dewijl God barmhartig was, en Zijn volk met vaderlijke liefde had omhelsd, kon Hij niet vergeten, dat Hij Vader was, maar wilde gaarne vergiffenis schenken, zooals het gaat met een' vader, die, de slechte gezindheid ziende van zijn zoon, plotseling een hevig misnoegen gevoelt, maar verteederd zijnde, toch weer geneigd is hem te sparen. God verklaart dus, dat Hij op die wijze met Zijn volk zal handelen.

Nu volgt de verklaring hiervan. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren, door welke zinnebeeldige wijze van spreken Hij de straf aanduidt, die voor de zonden der menschen past. Want het moet wèl in gedachten worden gehouden, dat God van alle hartstocht vrij is. Zoo wij echter geen toorn in God

Sluiten