Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen onderstellen, wat bedoelt Hij dan met de hittigheid Zijns toorns ? Het is de verhouding tusschen Zijn' aard of karakter en onze aangeboren, of natuurlijke zonden. Maar waarom zegt de Schrift, dat God toornig is ? Het is omdat wij ons Hem naar de opvatting van het vleesch als zoodanig voorstellen ; want wij vatten Gods verontwaardiging niet, behalve in zoo ver onze zonden Hem tot toorn verwekken, en Zijne wrake jegens ons gaande maakt. In betrekking dus tot onze bevatting noemt God het zware oordeel de hittigheid Zijns toorns, die gelijk is aan, of eene geëvenredigde straf is voor, onze zonde. Ik zal niet uitvoeren, zegt Hij, dat is : „Ik zal het loon niet uitbetalen, dat gij verdiend hebt."

VV at dan P Ik zal niet icederkeeren om Efraim te verderven. Het werkwoord schijnt daarom te zijn gebruikt, omdat

God het rijk van Israël ten deele verwoest had, daarom zegt Hij, dat de tweede omverwerping, die nu volgen zal, niet van zoodanigen aard zal zijn, dat geheel Israël verwoest of volkomen len verderve zou worden gebracht. Ik zal dus niet icederkeeren om Efraïm te verderven ; dat is : n Hoewel Ik Mij zal aangorden onj de zonden des volks te straffen, zal Ik Mij toch bedwingen, zoodat Mijne wrake niet zoo ver zal gaan om het geheele volk te verdelgen". De reden wordt er bijgevoegd : Want ik ben God en geen mensch.

Daar Hij hier bedoelde aan de godvruchtigen eenige hoop te laten op behoud, voegt Hij er datgene bij, wat die hoop kan bevestigen ; want wij weten hoe moeielijk het sidderend geweten er wederom toe gebracht kan worden om te hopen, als God met Zijn' toorn gedreigd heeft. Ongodvruchtige menschen spotten met alle bedreigingen ; maar zij, in wie een zaad der Godsvrucht is, vreezen de wrake Gods, en als zij door verschrikking worden aangegrepen, worden zij door groote onrust gekweld, en kunnen niet tot bedaren worden gebracht. Dat is dus de reden, waarom de profeet nu de leer bevestigt, die hij had voorgesteld : Ik ben God, zegt. hij, en geen mensch; alsof hij gezegd had, dat Hij zijn volk genadig zal zijn, omdat Hij niet onverbiddelijk is, zooals de menschen; en zij vergissen zich ten eenenmale, die Hem beoordeelen of afmeten naar de menschen.

Wij moeten nu wèl in gedachten houden, dat de profeet zijne rede niet zonder onderscheid tot alle Israelieten richt, maar alleen tot de geloovigen, die nog een overblijfsel vormden onder dit verdorven volk. Want God heeft nooit toegelaten, dat al de kinderen van Abraham van Hem vervreemd werden, eenige weinigen ten minste, bleven nog overig, gelijk aan eene andere plaats gezegd wordt, (1 Kon. 19 : 18). Tot dezen richt de profeet thans het woord, en ten einde hun vertroosting te bie-

Sluiten