Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van die der menschen. Daarna verwijst hij naar het verbond, dat God met Zijn volk gemaakt heeft: en wat was de inhoud van dit verbond? Dat God Zijn volk zou straffen, maar zóó, dat er altijd eenig zaad zal overblijven. „Ik zal hen", zegt Hij, „met eene. menschenroede kastijden ; maar Mijne goedertierenheid zal Ik niet van hen doen wijken", (2 Sam. VII: 14 en 15). Dewijl God dus eenige verzachting, of verlichting beloofd heeft in al Zijne straffen, herinnert Hij er ons aan, dat Hij Zijne Kerk niet gansch en al te niet wil laten gaan in de wereld; want dan zou Hij zich zeiven niet gelijk blijven; daarom zegt Hij : Ik ben God, en geen mensch, de Heilige in het midden van u; en daar Ik u Mij heb uitverkoren, om Mijn bijzonder eigendom en erfdeel te zijn, en u beloofd heb, altijd uw God te wezen, zal Ik thans Mijne wrake matigen, zoo dat er nog eene Kerk moge overblijven".

Om die reden zegt Hij ook : Ik zal in de stad niet komen. Sommigen zeggen : „Ik zal in geene andere stad komen dan Jeruzalem". Maar dit voegt niet in den zin ; want de profeet spreekt hier van de tien stammen, en niet van den stam van Juda. Anderen denken aan de tegenovergestelde beteekenis; „Ik zal in de stad niet komen", alsof Hij zeide, dat Hij inderdaad goedertierenlijk zal handelen met het volk door hen niet geheel te verdelgen ; maar dat zij naderhand zonder burgerlijke orde zouden zijn, zonder geregeld bestuur of andere teekenen van Gods gunst: „Ik zal in de stad niet komen", dat is „Ik zal u niet wederherstellen, zoodat er wederom eene stad en een koninkrijk zal zijn, met een vereenigd volk". Maar die uitlegging is te gewrongen : ja het is eene spitsvondigheid, die als van zelve verdwijnt. Er is geen twijfel aan of het beeld is ontleend aan oorlogsgebruiken. Want als een veroveraar met eene gewapende uiacht eene stad binnentrekt, dan wordt aan de slachting geen einde gemaakt, integendeel, dan wordt overal bloed vergoten. Maar als eene stad zich overgeeft, dan kan de overwinnaar wel binnenkomen, maar niet door een plotselingen, geweldigen aanval, niet stormenderhand, hij wacht soms wellicht een paar dagen of eenigen tijd, totdat de woede der soldaten tot bedaren is gekomen. Dan komt hij, niet als tot vijanden, maar als tot zijne eigene onderdanen. Dit is het wat de profeet bedoelt, als hij zegt: „Ik zal in de stad niet komen"; dat is : „Ik zal u den oorlog aandoen, en tot onderwerping brengen, en u noodzaken om u over te geven, en dat wel met groot verlies, maar als de poorten geopend zullen zijn, en de stadsmuur nedergeworpen, dan zal Ik Mij weerhouden, want Ik wil u niet gansch en al verderven.

Indien iemand hier nu tegen opkomt en zegt, dat deze verklaring in strijd is met vele andere, die wij hebben opge-

Sluiten