Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getwijfeld w^ar; maar intusschen houdt de Heere de eerste plaats, gelijk die merkwaardige plaats in Job getu'gt: vDe Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen", (Job 1:14). Zoo moeten wij dan met God zelf den strijd aanbinden. Hoe zoo ? Omdat Hij ons beproeft en toetst. Maar, gelijk Jakobus zegt, Hij verzoekt ons niet, (Jakobus I : 14); maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken wordt. Hij verzoekt ons niet tot kwaad ; Hij stort ons geene verdorvene begeerten in, die van zelt opkomen en ingeboren zijn in onze natuur; maar Hij verzoekt, dat is: Hij beproeft ons, gelijk Hij gezegd wordt Abraham te hebben beproefd, (Genesis XXII : 1).

Dit zoo zijnde, moeten wij nu worstelen met God; maar met welk doel P Opdat wij zullen overwinnen ; want God wil ons niet neerdrukken, als Hij ons geloof en de standvastigheid onzer gehoorzaamheid kenbaar maakt; integendeel: Hij richt een schouwtooneel op, waarop Hij zijne gaven te aanschouwen geeft. Daarom komen wij tot de worsteling met de hoop van te zullen overwinnen. En, gelijk ik reeds gezegd heb, Hij vermaant ons niet slechts sterk te zijn ten einde te overwinnen, maar voorziet ons ook van wapenen, en strijdt ook zelt, in zekeren zin, met en voor ons, en is krachtig in ons, en stelt ons in staat onze verzoekingen te overwinnen. Om die reden wordt Jakob gezegd macht te hebben gehad bij God, of de overwinnaar van God te zijn geweest.

Maar wat de profeet er bij voegt, zou vreemd kunnen schijnen, nl. dat dit gedaan werd in zijne kracht. In zijne kracht, zeo-t hij, had hij macht bij God. Maar indien Israël in zijne eigene kloekmoedigheid had gestreden, hij zou zelfs de schaduw Gods niet hebben kunnen dragen, want hij zou hebben moeten vallen. Hij zou vernietigd zijn, indien hij geene kracht had gehad, grooter dan die van den mensch. Wat beteekent dit dus, dat^hij in zijne kracht overwinnaar was ? Wij geven toe, dat'deze kracht, waarvan de profeet spreekt, aan den heiligen Jakob toegeschreven kon worden, toen hij de overwinning behaald had. Er is, zooals men zegt, geen beter recht, dan het recht door schenking; en God is gewoon om al wat Hij ons schenkt, aan ons over te dragen, alsof het ons eigendom is. Het is dus noodig om hier wijselijk te onderscheiden tusschen de kracht, die de mensch heeft in zich zeiven, en die welke God hem verleent. Zoodra men bij de Papisten spreekt van de kracht of het vermogen van den mensch, grijpen zij dit dadelijk aan, en zeggen: ,/Indien er in den mensch geen vrije wil is, dan is er ook geene kracht, geen vermogen in hem om te weerstaan". Maar zij verraden hiermede hunne eigene stompzinnigheid en achteloosheid, daar zij niet kunnen onder-

Sluiten