Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch schijnt er geene groole reden te zijn, waarom wij zoo zullen tobben en zwoegen over de woorden van den profeet: en sommigen, zelfs onder de Rabbijnen (om hun den lof niet te onlhouden, die hun toekomt) hebben dit als de beteekenis aangeduid : Dat de Ileere aldus met Jakob had gesproken, maar hetgeen Hij tot hem zeide, ging ook het gansche volk aan. Want ongetwijfeld behoort hetgeen God toen aan Zijn' dienstknecht beloofde, aan geheel het volk, aan zijne gansche nakomelingschap. Waarom kwellen de uitleggers zich dan, daar het toch blijkbaar is, dat God door den persoon van één man met al de nakomelingen van Abraham sprak ? En dit sluit ook het best in het context; want de profeet past thans, om zoo te spreken, op het geheele volk toe, wat hij tot nu toe van den aartsvader Jakob in herinnering bracht. Opdat zij dus niet zouden denken, dat slechts de geschiedenis van één man wordt verhaald, zegt hij, dat dit allen aangaat. Waarom ? Omdat de Heere aldus met den Godvruchtigen Jakob gesproken heeft, dat Zijne stem in de ooren van allen moet weerklinken. Want wat is er tot den Godvruchtige gezegd P Heeft God zich slechts aan hem geopenbaard P Heeft Hij beloofd slechts voor hem een Vader te zullen zijn ? Neen, Hij heeft zijn gansche zaad aangenomen, en strekte Zijne gunst uit over al zijne nakomelingen Daar Hij dus alzoo tot al de Israelieten heeft gesproken, moesten zij zich nu des te meer schamen over hun' afval, daar zij zoo zeer ontaard waren van hun' vader, aan wien zij waren verbonden. Want er was een heilige band van eenheid tusfch®n •Tajkob en ZIJne kinderen, daar God hen allen in Zijne heide had omstrengeld, en hen bevoorrecht had met Zijne aanneniiug. Nu bespeuren wij wat het denkbeeld was van den profeet. Laat ons nu voortgaan : —

6. Gij dan bekeer u tot uwen God; bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uwen God. 7. In des koopmans hand is eene bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken.

De profeet is nu dringend bij het volk. Gewezen hebbende op het voorbeeld van den aartsvader, toont hij aan, hoe weinig zijne nakomelingen op hem geleken, daar God niets op hen vermocht door eene gezonde leer, hoewel Hij zich voortdurend bekommerde om hun heil, en Zijne profeten opwekte om de verlorenen en verstrooiden op den veiligen weg terug te brengen. Daar dit nu zoo was, beschuldigt de profeet hen van ondankbaarheid. Maar eerst spreekt hij van bekeering; en dan toont hij dat hij en andere dienstknechten Gods tevergeefs hadden gearbeid; want

Sluiten