Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lees dit woord afzonderlijk; want wat sommigen er onder begrepen achten, is onbeduidend, zooals: „Hij was gelijk aan Kanaan, in wiens hand", enz. Integendeel, de profeet veroordeelt hier de Israelieten door één enkel woord; alsof hij zeide, dat zij gansch en al vreemdelingen waren, onwaardig om kinderen Abrahams genoemd te worden. Ook als wij verontwaardigd zijn is ons woord dikwijls kort en als afgebroken. De profeet noemt hen dan hier uit verontwaardiging „Kanaan", hetwelk dit beteekent: „Gij zijt niet de kinderen van Abraham, gij beroemt u valscheiijk op zijn' naam, die op u niet toegepast kan worden; want gij zijt Kanaan."

Daarna voegt hij er bij : In zijne hand is de weegschaal des bedrogs, hij bemint te plunderen, of te berooven. Letterlijk is het, hij bemint te berooven. De zin is klaarblijkelijk, dat zij gaarne plunderden, dat is, dat zij zich door hebzucht lieten vervoeren tot daden van rooverij. Nu moet ten eerste opgemerkt worden, dat de profeet hier de vleeschelijke nakomelingen van Abraham schande aandoet door hen Kanaan te noemen, en deze beschuldiging komt dikwijls voor bij de profeten. En de reden, waarom zij met dien naam toegesproken worden, is dat deze onzinnigen zich zoo op hun geslacht en afkomst lieten voorstaan, dat zij dit als het ware ophielden als een schild om er zich mede te bedekken. „Hoe! wij zijn een heilig volk". Daar zij dus door dit voorwendsel alle waarschuwingen van de profeten verwierpen, werpt God hun dezen smaad toe : „Gij zijt niet de kinderen van Abraham; gij zijt Kanaan"; alsot Hij zeide : „Niets is er nog veranderd in dit volk, de Israelieten blijven zich altijd gelijk". Eenmaal had de Heere het land gezuiverd van de goddeloozen, maar toen de nakomelingen van Abraham als de Kanaanieten geworden waren, werden zij het zaad van Kanaan genoemd, alsof hetzelfde volk, dat er vroeger woonde, er nog gebleven was, want er was geen verschil in hunne manier van zijn, zij waren elkander gelijk in dezelfde verdorvenheid.

Maar de reden volgt, waarom hij hen het geslacht van Kanaan noemt, nl. omdat zij eene bedriegelijke weegschaal in hunne hand hielden, en zich met allen ijver toelegden op roof. De bedriegelijke weegschaal kan uitgestrekt worden tot hunne veinzerij, hunne bedriegerijen en leugens, waarmede God, gelijk Hij te voren klaagde, omringd was; daar echter onmiddellijk hierop volgt: Gij bemint rooverijen, geef ik er de voorkeur aan om hieronder te verstaan de twee manieren van schade en nadeel toe te brengen, die schier elke soort van boosheid in zich bevatten, want de menschen zullen anderen óf door list benadeelen en berooven, óf door openlijk geweld hunne naasten schade toebrengen. Daar zij, die hunne naasten verongelijken

Sluiten