Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit óf door openlijk geweld doen, óf de eenvoudigen door hunne listige handelingen misleiden, spreekt Hoséa ten eerste van de bedriegelijke weegschaal, en wijst dan op hunne gretigheid in het rooven en plunderen. Het is dus hetzelfde, alsof hij gezegd had, dat zij bedriegeiijk waren, en ook roovers, die openlijk geweld pleegden. Hij bedoelt, dat zij wetteloos en bandeloos waren, zich toelegden op daden van onrecht, er op uit, om, hetzij door list of geweld, schade en nadeel toe te brengen. Geen wonder dus dat zij een onbesneden geslacht werden genoemd. Waarom ? Omdat zij niets van doen hadden met God, daar zij zich afkeerden van Zijne wet, ja een afkeer hadden van vriendelijkheid en barmhartigheid. Er volgt ook uit, dat zij ontbloot waren van alle Godsvrucht, daar zij alle billijkheid en ïecht jegens hunne naasten uit het oog verloren. Dat is de beteekenis.

8. ^Nog zegt Efraïm : Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen ; in al mijn' arbeid zullen zij mij geene ongerechtigheid vinden, die zonde zij.

Door Zijn profeet klaagt God hier, dat de Israelieten zich vleiden in hunne ondeugden, omdat hunne zaken naar wensch gingen en zij voorspoed hadden, en die ondeugd is maar al te gemeen, dat de menschen zich gelukkig achten, zoo lang de tortuin, ge!ijk men zegt, hun toelacht. Zij verbeelden zich dan, dat God hun gunstig gezind is. Daar het volk zich nu in dien toestond bevond, verachtten zij de profeten en al hunne bestiamngen. Het is over deze hardheid of ongevoeligheid, dat e Heere nu klaagt. Efraïm heeft gezegd: evenveel ben ik rijk geworden. Er is een sterke nadruk op te merken in het bijwoord Soms is dit in de Hebreeuwsche taal eene eenvoudige 'bevestiging; maar hier wil de profeet er iets anders mede te kennen geven, dit namelijk, dat de Israelieten lachten J3estraffing, omdat God hun gunstig scheen te zijn, alsot Hij Zijne gunst openbaarde door voorspoed. Toch ben ik rijk geworden, en daarom bekommer ik mij niet om hetgeen de profeten zeggen ; want ik ben tevreden uiet mijn lot." Dit is, gelijk ik reeds zeide, een algemeen verspreid kwaad, en daarom moet op deze Schriftuurplaat wèl acht gegeven worden, opdat wij, als de Heere ons een' tijd lang spaart, niet zouden enken, dat wij onschuldig zijn in Zijne oogen ; want niets is meer te vreezen, dan dat onze oogen door voorspoed, of een' gewenschten staat van zaken, verblind worden. Hoewel de Heere ons dus moge verdragen, en ons niet terstond treft door Zijne wrake, maar ons, integendeel, als aan Zijne borst schijnt

Sluiten