Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te koesteren, zoo moeten wij echter, als Hij ons bestraft door Zijn Woord, Zijne bedreigingen ter harte nemen.

Zij voegen er nog bij : Al mijn arbeid zal geene ongerechtigheid vinden, of, zij zullen in al mijn' arbeid geene ongerechtigheid vinden. Velen lezen de woorden eenvoudig zooals zij daar staan : „Mijn arbeid zal geene ongerechtigheid vinden" ; daar die uitdrukking echter wat stijf is, heb ik getracht, evenals anderen dit ook gedaan hebben, haar vloeiender te maken. „In al mijn' arbeid zullen zij geene ongerechtigheid vinden". Dit roemen ging verder, want de profeet toont, dat het volk niet slechts gerust was, omdat de Heere hun eenige teekenen Zijner Vaderlijke gunst had gegeven ; maar dat zij ook verblind waren door dit goddelooze vertrouwen, dat God hun geene gunst zou betoond hebben, indien zij niet vrij waren van ieder gebrek en elke ondeugd ; en op die tweede zinsnede moet wèl acht worden gegeven. Nu is het eene verdorvenheid, die ten eenenmale onduldbaar is, als de menschen God beginnen te minachten, omdat Hij goedertieren lijk met hen handelt, en als zij Zijne zachtheid zóó misbruiken, dat zij al Zijn onderwijs en al Zijne bedreigingen gering schatten. Dit is inderdaad eene ontzettende verdorvenheid; maar wanneer bij dit alles nog zulk een' hoogmoed gevoegd wordt, dat goddelooze menschen zich voor rechtvaardigen houden, omdat God hen niet terstond straft. — dat is, om zoo te zeggen een duivelsche waanzin, en toch zien wij, dat het iets gansch gewoons is. Want goddelooze menschen zijn niet slechts trotsch op hun' rijkdom; zij zijn niet slechts opgeblazen door hunne eigene kracht en macht, maar zij verbeelden zich nog, dat God op de eene of andere wijze aan hen verplicht is. „Wel ! God moet mij wel als onschuldig beschouwen, en rein van alle ondeugden, want Hij bevoorrecht mij; Hij ziet dus niets in mij, dat strafwaardig is". Aldus verheffen de goddeloozen hun hoorn tegen God, omdat Hij toegeeflijk voor hen is, en niet zoo streng jegens hen schijnt te zijn, als zij het verdienen.

Als wij heden ten dage zien, hoe dit kwaad onder het grootste deel der menschen heerscht, dan is er geene reden om verbaasd te zijn, maar intusschen moeten wij ons het onderwijs van den profeet ten nutte maken, zoodat wij door geen voorspoed worden verblind ; de bestraffing niet verachten, en ons zeiven niet vleien, in onze zonde, en tevens den toorn Gods niet jegens ons laten ophoopen, als Hij goedertierenlijk^ niet ons handelt. Laat ons dan geen misbruik maken van Zijne lankmoedigheid; laat ons niet denken onschuldig te zijn in Zijne oogen, omdat Hij Zijne oordeelen niet terstond aan ons volvoert, laat ons veeleer leeren ons zeiven te onderzoeken, onze ondeugden af te schudden, zoodat wij ons verootmoedigen

Sluiten