Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

adel? Wat was zijne macht? Wat was, naar het vleesch gesproken, zijne waardigheid en voornaamheid? Wel! hij was een vluchteling uit zijn land : en al ware hij daar altijd gebleven, zijn vader was toch slechts een vreemdeling, een bijwoner; maar hij was genoodzaakt naar Syrië te vluchten. En in welken glans of praal heeft hij daar geleefd ? Hij woonde bij zijn' oom, maar hij werd niet beter behandeld, dan of hij een waardelooze slaaf was : Hij diende om eene vrouw. En hoe diende hij ? Hij was een schaapherder. Ga dan nu heen, en roem op uwe waardigheid, alsof gij edeler waart dau anderen, alsof uw toestand beter was dan die van gewone menschen". God voert dus den toestand van hun' stamvader tegen hen aan, in wiens naam zij zoo roemden, maar die toch slechts een jammerlijk, beklagenswaardig man was, een vluchteling, die als een nietswaardige slaaf werd gehouden, en schapen hoedde, kortom, die niets had, dat hem bij de menschen in eer en aanzien kon doen komen.

En God, zegt hij, voerde u op uit Egypte door een' profeet, en door een profeet werdt gij gehoed. Dat was, als het ware, hunne tweede geboorte. Sommigen denken, dat dit een vergelijking is tusschen hun' eersten oorsprong en hunne verlossing ; aisof Hoséa gezegd had : „Hoewel gij geboren zijt uit een arm, onbekend, roemloos man, heeft God u toch met zeer bijzondere voorrechten begunstigd; want Hij gal Mozes om de dienaar te zijn uwer bevrijding". Maar naar mijn oordeel spreekt de profeet hier op eenvoudiger wijze; want, ten eerste, toont hij hun tweeden oorsprong; want God had hen opnieuw doen geboren worden, toen Hij hen opvoerde uit Egypte. Eu daar waren zij, gelijk wel bekend is, diep rampzalig; en zij trokken niet uit door hunne eigene kracht en kloekmoedigheid; zij hebben niet zelf hunne bevrijding bewerkt; Mozes alleen strekte zijne hand naar hen uit, te dien einde door God tot hen gezonden zijnde. Daar de zaken dus alzoo stonden, was het vreemd, dat zij nu God vertoornden door hunne altaren, gelijk hij in het laatste vers zegt.

Zeer dikwijls komt het voor in de profeten, dat God de Israelieten er aan herinnert vanwaar zij hun'oorsprong hebben : ,/Aanschouwt den rotssteen, waaruit gijlieden gehouwen zijt; want Abraham was alleen en kinderloos, en zijne vrouw was onvruchtbaar"; en God vermenigvuldigde toch hun geslacht, (Jesaja 51 : 1, 2.) Dit werd gezegd, omdat de Israelieten niet op God zagen, maar in hun' tegenspoed vertwijfelden, toen er geen middel gezien kon worden, waardoor zij hersteld zouden kunnen worden ; terwijl zij in hun voorspoed trotsch werden, en de gunst van God als niets achtten. Wij bemerken nu wat de proleet op het oog had. De Heere zegt: //Erkent wat gij-

Sluiten