Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uwe hulp. 10. Waar is uw koning nu? dat hij u behoude in al uwe steden ! en uwe richters, waar gij van zeidet: Geef mij een' koning en vorsten? 11. Ik gaf u een' koning in Mijn' toorn, en nam hem weg in Mijne verbolgenheid.

In de eerste plaats verwijt God den Israelieteri, dat zij in hunne hardnekkige boosheid alles wat hun tot hun heil was aangeboden, verworpen hebben ; maar hij gaat nog verder en zegt, dat er voor hen geene hope meer was, en dat er eene verborgene oorzaak was, die God verhinderde hen te helpen, en hun bijstand te verleenen, als zij in den uitersten nood verkeerden. Het heeft u bedorven, Israël, zegt hij. Sommigen achten, dat hier het woord kalf bij gedacht moet worden : „Het kalf heeft u bedorven ;" maar dit is gewrongen. Anderen denken, dat hier eene verandering is van persoon ; en ik ben geneigd hunne meening aan te nemen, daar die wijze van spreken, gelijk wij weten, zeer algemeen is: Gij hebt u bedorven Israël ; gij zij t zelf de oorzaak van uw verderf, of „Israël heeft zich verdorven." Hoewel er dus een werkwoord is in den derden persoon, en er daarna een toegevoegd voornaamwoord is in den tweeden persoon, kunnen wij die plaats toch aldus overzetten : „Israël heeft zich verdorven." Intusschen, als ik ieder afzonderlijk deel nauwkeurig overweeg, zou, dunkt mij, de plaats toch gevoegelijker vertaald worden, door haar in onbepaalden zin te nemen, aldus; „Iets heelt u, o Israël, verdorven" ; alsof hij zeide : „Onderzoek nu wie u verdorven heeft." God noemt dus hier niet Israël als de oorzaak, en Hij wijst ook niemand anders aan als de oorzaak van hun verderf; maar toch toont hij, dat Israël verloren is, en dat de oorzaak van hun verderf niet in Hem, maar in iemand anders gezocht moet worden. Dat is de bedoeling Het is dus: Iets heeft u verdorven Israël; want in Mij was iiwe hulp. God toont en bewijst, dat Israël, die tot nu toe bewaard is gebleven, thans door zijne eigene schuld aan het verderf is overgegeven ; want God had het volk eenmaal aangenomen en wel met dit doel, dat Hij hun Zijne gunst zou blijven betoonen. Indien dus de boosheid en ondankbaarheid van het volk het niet verhinderd had, dan zou God ongetwijfeld zich altijd gelijk zijn gebleven, en dan zou Zijne goedertierenheid hun gestadig zijn blijven toevloeien.

Dat is het wat hij bedoelt in de tweede zinsnede, als hij zegt • In Mij uwe hulp, waarmede Hij schijnt te zeggen: „Hoe komt het, wat is de reden, dat Ik u thans niet meer naar Mijne

Sluiten