Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewone wijze van doen help ? Gij hebt tot nu toe in waarheid bevonden, dat Ik uw Verlosser ben; gij hebt dikwijls met groote en schrikkelijke gevaren te worstelen gehad, maar Ik ben nooit in gebreke gebleven u te helpen. Hoe komt het dan nu, dat Ik u verworpen heb, dat gij te vergeefs roept, en dat niemand u hulpe biedt? Hoe komt het, dat gij aldus verlaten zijt, geen bijstand, van welken aard ook, van Mij ontvangt, gelijk gij dien tot nu toe gewoon waart van Mij te ontvangen ? Ongetwijfeld zou Ik u ook thans niet begeven, zoo gij Mij slechts vergundet u te helpen ; maar gij sluit de deur voor Mij toe, en door uwe boosheid versmaadt gij Mijne gunst, zoo dat die tot u niet kan komen. Hieruit volgt dus, dat gij thans door uwe eigene schuld bedorven zijt : leis heeft u dus bedorven". Hij spreekt hier in onbepaalden zin ; maar die onzekere, onbesliste wijze van uitdrukking heeft meer kracht en nadruk, als hij aantoont, dat Israël geene reden heeft om verbaasd te zijn, en evenmin reden had om zich bij God te beklagen. „Er is dus geen grond om met God te twisten, alsof Hij uwe verwachting had bedrogen, en uwe begeerten en uwe roepingen had veracht. God is zich zeiven gelijk gebleven, want Hij is onveranderlijk"; alsof hij zeide : „Hun verderf heeft een andere oorzaak, en zij moeten weten, dat er eene belemmering is, waardoor God Zijne hind niet uitstrekt om hen te helpen, gelijk Hij tot nu toe gewoon was hen te helpen."

Nu bemerken wij de gedachte van den profeet: in de eerste plaats herinnert hij aan hetgeen God tot nu toe voor het volk gedaan had, vervolgens stelt hij het als eene algemeen aangenomens waarheid, dat Hij niet verandert, maar dat er in Hem eene immer gelijke en onuitputtelijke goedheid is. Daar Hij tot nu toe Zijn volk altijd heeft geholpen, komt hij tot de gevolgtrekking, dat Israël verwoest werd door eene andere oorzaak, wijl God hem nu niet helpt; want zoo Israël zelf het niet verhinderd had, zou Gods goedheid hun, als gewoonlijk, zijn blijven toevloeien. De verhindering schijnt dus bestaan te hebben in de goddeloosheid van het volk, zij waren het, die den hinderpaal op den weg hadden geplaatst.

Deze Schriftuurplaats nu leert ons, dat de menschen in hunne ellende te vergeefs tegen God roepen; want Hij zou wel altijd bereid zijn hen te helpen, indien zij niet de gunst versmaadden, die hun wordt aangeboden. Wanneer God ons dus niet helpt in onzen nood, en ons laat wegkwijnen in onze beproevingen, dan is dit ongetwijfeld omdat wij niet gezind zijn Zijne gunst aan te nemen, integendeel, wij versperren er den weg voor, gelijk gezegd wordt door Jesaja: ,/De hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen ; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen

Sluiten