Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooren. Maar uwe ongerechtigheden", zegt hij, „maken eene scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God". (Jes LIX : 1, 2.)

Dezelfde strekking hebben hier de woorden van den profeet, als hij zegt, dat wij behooren te onderzoeken wal de oorzaak is van ons verderf, wanneer de Heere ons niet terstond verlost; want gelijk Hij ons eens Zijne goedheid heeft doen smaken^ zoo zal Hij dit ook ten einde toe blijven doen, want Hij wordt niet moede Zijne goedheid te bewijzen, en Zijne goedertierenheid raakt niet uitgeput. De schuld ligt dus aan ons. Hieruit zien wij hoe merkwaardig deze plaats is, en welke nuttige leering zij bevat. 8

Daarna bevestigt Hij dit meer ten volle door te zeggen : Ik zal zijn; en dan zegt Hij : Waar is uw koning nu ? Door te zeggen : „Ik zal zijn", herhaalt God wat Hij te voren verklaard had, nl. dat Hij altijd dezelfde zijn zal; want, gelijk Jakobus zegt: „Bij Hem is geene verandering, of schaduw van omkeering", (Jakobus I : 17). Vandaar: ,/Ik zal zijn"; dat is: „De Israelieten smalen wel op Mij en zeggen, dat Ik Mijne gewone wijze van goedheid en vriendelijkheid niet volg, maar dit is ten eenenmale onwaar, want Ik blijf steeds dezelfde, en ben immer bereid den menschen vriendelijkheid te betoonen ; want, gelijk Ik elders verklaard heb : Ik laat niet varen de werken Mijnei handen", (Psalm CXXXVIII : 8). Daar Ik dus wel Mijne gunst aan de menschen wil blijven schenken, moet het wezen, dat hunne goddeloosheid den weg voor Mijne gunst \ eispeit. Laten zij dan zich zeiven onderzoeken, als zij roepen en Ik hun niet antwoord. Als zij door de rampen, die hen treffen, kwijnen en geene verlichting vinden, laten zij dan erkennen, dat dit hunne eigene schuld is, want Ik zou voor hen hebben willen zijn wat Ik altijd geweest ben, en zij zouden Mij een Verlosser hebben bevonden, indien er in hen zeiven geene \erandering had plaats gehad". Nu verstaan wij de bedoeling van den profeet in vers 9, en verstaan wij tevens de uitdrukking lk zal zijn, in het daaropvolgende vers.

Vervolgens zegt hij : Waar is uw koning ? Wederom verwijt God den Israelieten, dat zij in hun' koning en in andere aardsche hulp hun vertrouwen hebben gesteld, daar zij dachten dooi hen versterkt te worden. Waar is uw koning ? zegt hij. Hij drijft den spot met de Israelieten, want zij zagen, dat hun koning nu van alle macht beroofd was om hen te helpen, en dat al hunne vorsten gansch ontbloot waren van wijsheid en van alle andere middelen om hun te hulp te komen. Dewijl er dus geene bescherming voor hen was bij menschen, toont de profeet nu, dat Israels vertrouwen ijdel was geweest, toen zij zich zoo veilig waanden onder de schaduw van hun' koning, en zich zoo gerust gevoelden zoolang zij slechts door wijze en

Sluiten