Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oordeelen, en onderscheidt zij tusschen God en den mensch — en zeer groot is dit onderscheid — want God wendt de verkeerde handelingen der tnenschen aan tot Zijne eigene doeleinden. Hij is een rechtvaardig Rechter. Maar zijne doeleinden zijn ons niet altijd duidelijk, inaar dan is het onze plicht oin met eerbied en nuchteren zin deze verborgenheden te bewonderen en te aanbidden, die ons verstand te boven gaan. Nu volgt: —

12. Efraïms ongerechtigheid is samengebonden, zyne zonde is opgeleid. 13. Smarten eener barende vrouw zullen hem aankomen ; hij is een onwijs kind ; want anders zou hij geen' tijd in de kindergeboorte blijven staan.

Hij zegt eerst, dat de ongerechtigheid van Efraïm verzegeld is, en dat zijne zonde verborgen is, waarmede hij bedoelt, dat de geveinsden zich te vergeefs vleien, omdat God Zijne wrake nog ophoudt; want hoewel Hij voor een' tijd toegevend is en de oogen als het ware toesluit, zoo slaapt Hij toch niet; en evenmin moet men gelooven, dat Hij blind is, maar Hij verzegelt de zonden der inenschen, en houdt ze aldus verborgen totdat de tijd daar is, om ze te openbaren. Dat is het voornaamste punt, maar de profeet heeft nog iets meer gezegd. W ant gelijk Jeremia zegt : //De zonde van Juda is geschreven met eene ijzeren griffie, met de punt eens diamanls", (Jeremia XVII : 1;) zoo zegt ook Hoséa, dat de ongerechtigheid van Efraïm verzegeld is. Want geschriften, die verspreidt worden, kunnen te niet gaan, maar wat onder een zegel gelegd wordt, blijft. Wat Hoséa dan nu bedoelt, is, dat het volk zich te vergeels vleide, omdat hun een wapenstilstand was toegestaan; want de Heere hield hunne zonden onder Zijn zegel, alsof Hij zeide : God vergeet uwe ongerechtigheid niet", daar hij echter slechts voor een tijd spaart, zou het veel beter zijn onmiddelijk de straf te lijden, want dan zou de gedachtenis aan uwe zonden voorbijgaan ; maar nu houdt Hij al uwe ongerechtigheden zorgvuldig onder zegel, en uwe zonden zijn opgelegd*.

Wij zien nu, dat de bedoeling van den profeet in dit vers is, dat de Israelieten zoo ver gevorderd waren in hunne zonden, dat er op geene vergeving, of kwijtschelding meer gehoopt kon worden. God zal u dus niet meer gunstig of genegen zijn, want uwe zonde is verzegeld." En dit is van toepassing op allen, die zich met een mom bedekken voor God, als Hij hen niet met strengheid behandelt, maar hen, integendeel, goedertierenlijk onderhoudt en lankmoedig over hen is. Dewijl zij dus zijn geduld en vriendelijkheid teleurstelden, was het

Sluiten