Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijkdom door zich aan hoogmoed over te geven, en zich te verharden in minachting van God. Want vanwaar kwam zoo groot eene driestheid in hun' opstand, vanwaar die groote stompzinnigheid en waanzin om het oordeel Gods te verachten, indien niet daarvan — dat zij waren toegenomen onder hunne broederen ?

Maar ofschoon hij toeneemt onder zijne broederen er zal een Oostenwind komen, de wind van Jehovah, dié zijne springader zal uitdrogen, en zijne fontein zal verdrogen. Hier spreekt God uit wat te voren reeds aangeroerd was, nl. dat het in Zijne macht was aan het volk van Israël te ontnemen, wat Hij hun uit genade had geschonken, evenals Hij, telkenmale als Hij het werischte, fonteinen kon opdrogen. En Hii gebruikt daarvoor een zeer gepast beeld. Gelijk de Oostenwind, zegt Hij, verdroogt en verschroeit, en, zoo hij lang aanhoudt, de fonteinen uitgedroogd zullen zijn ; zoo zal Ik, ze°-t Hij, al de springaders van Efraïm uitdrogen. Hetzij hij n°u al of niet denkt meer kracht te bezitten dan fonteinen, wier bron onuitputtelijk is, het is zeker, dat fonteinen opdrogen, als Mij dit behaagt. Ik zal dus de springaderen en fonteinen 'van Efraïm opdrogen; ofschoon hij denkt uit eene diepe bron te scheppen, zal toch de wind, als hij opkomt, al zijne kracht en sap opdrogen. Nu verstaan wij wat de profeet bedoelt.

En wat nu de woorden betreft, sommigen vertalen onjuist

door Zuidenwind; want het beteekent Oostenwind en'anderen zeggen dat de wind van Jehovah beteekent een sterke wind • maar ook die meening is niet juist. Wèl erken ik, dat het ongewone dikwijls Goddelijk genaamd wordt; maar aan deze plaats wilde de profeet te kennen geven, dat God altijd winden gereed heeft, waarmede Hij alle kracht, die er in de menschen is, kan opdrogen. Vandaar dat de Naam Jehovah gesteld wordt tegenover natuurlijke oorzaken of middelen. Het zal dus geen toevallige wind zijn, die de springaderen van Efraïm opdroogt maar een wind, die door den raad en de vaste bedoeling Gods ontstaat; alsof hij zeide: „Deze wind zal de geesel Gods zijn".

Hier wordt ons alzoo geleerd, dat wij, als God ons vooreen' tijd zegent, wèl hebben toe te zien, dat wij Zijne gunst niet misbruiken en geen valsch vertrouwen koesteren, gelijk wij zien, dat Etraïm gedaan heeft; want hij had voorspoed onder zijne broederen, en toen verhief hij het hoofd en aldus heeft hij door zijne zelfverheffing en hoovaardij de gunst van God te niet gedaan. Als wij voorspoedig zijn, behooren wij dus altijd te vreezen, dat ons iets dergelijks overkomen zal. Hoe vriendelijker God met ons handelt, hoe meer wij voortdurend uitgedreven moeten worden om te bidden, dat het Hem moge

Sluiten