Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Bekeer u, o Israël! tot den Heere, uwen God, toe ; want gij zijt gevallen om uwe ongerechtigheid. 3. Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den Heere, zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zoo zullen wij betalen de varren onzer lippen.

Hier vermaant de profeet de Israelieten tot berouw en bekeenng, en houdt hun nog eenige hoop voor op genade. Maar dit schijnt eene tegenstrijdigheid, daar hij reeds betuigd had dat er geen verhelpen meer was aan hun toestand, wijl zij God zoo ten uiterste hadden getergd. De profeet schijnt hier dus in tegenspraak te zijn met zich zeiven. Maar de oplossing van dit vraagstuk ligt voor de hand, zij is deze: — Toen hij te voren van den eindelijken ondergang des volks had gesproken had hij het geheele volk, als volk, op het oog} maar thans richt hij zijne toespraak tot de enkelen, die nog getrouw waren gebleven. En, gelijk wij reeds elders gezegd hebben, op dit onderscheid moet wèl gelet worden, want anders zullen wij bij vele plaatsen in de Schrift in verwarring komen. Wij zien dan nu met welk doel de profeet deze vermaning toevoegt, na verzekerd te hebben, dat God onverbiddelijk zou zijn voor het volk van Israël; want met betrekking tot het gansche lichaam des volks was er geene hoop op verlossing; God had thans in waarheid besloten hen te verderven, en Hij wenschte hun dit bekend te maken door de prediking van Hoséa. Maar God had toch altijd eemg zaad behouden onder Zijn verkoren volk • hoewel het lichaam, als geheel, verdorven was, waren er toch nog eenige gezonde leden overgebleven, zooals in een' grooten hoop kafs nog eenige graankorrels gevonden kunnen worden Daar God dus eenigen had bewaard, (gelijk Hij altijd gewoon is te doen,) stelt Hij hun deze genade voor; en daar zij, als het ware als door een' storm waren weggevoerd, toen de ongerechtigheid onder het volk de bovenhand verkreeg, en er niets geheels was, richt de profeet zijne woorden hier tot hen, omdat zij niet gansch ongeneeslijk waren.

Laat ons dan weten, dat met de ongeneeslijken, dat is, met het volk als geheel, nu afgedaan is, want zij zijn zoo hardnekkig dat de profeet hun niet met eenig vooruitzicht op een goeden uitslag kon toespreken. Zoo behooren dan deze woorden alleen op de uitverkorenen Gods toegepast te worden, die, voor e6u i afgedwaald zijnde, en verstrikt geraakt in de heerschende ondeugden van hun' tijd, toch niet volstrekt ongeneeslijk waren De profeet vermaant hen thans zeggende: Keetterug, Israël tot Jehovah, uwen God; want gij zijt gevallen om uice ongerechtigheid. Deze reden is er bijgevoegd, omdat de

Sluiten