Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nis is hetgeen zij zeggen: Neem weg alle ongerechtigheid. Aldus erkenden zij zich schuldig niet slechts aan ééne zonde, maar ook aan vele zonden, waarvoor God hen rechtvaardiglijk zou kunnen straften. Kortom, zij erkennen hier hunne vele en velerlei schulden.

Maar zij voegen er bij : Breng het goede. Dit wordt gemeenlijk zoo verklaard, alsof de Israelieten zeiden: dat zij tot nu toe onvruchtbaar zijn geweest in goede werken, maar dat zij, thans verzoend zijnde, nuttige dienstknechten Gods zouden worden. Maar die zin schijnt hier niet wel te voegen, want later voegt hij er het blijk der dankbaarheid aan toe: Wij zullen de varren onzer lippen betalen. Ik twijfel niet, of hij spreekt hier van den zegen Gods, die voortvloeit uit de vrije vergeving der zonden ; want God neemt ons niet slechts in gunst aan, maar Hij toont ook werkelijk, dat Hij niet te vergeefs met ons verzoend is, want Hij voegt er de vruchten bij van Zijne Vaderlijke liefde, door ons te begunstigen met Zijne weldadigheid. Gelijk dus de profeet den Israelieten beval woorden tot God te brengen, zoo stelt hij hen thans voor als biddende, dat God het goede zou brengen; en de Schrift pleegt ook gewoonlijk deze twee samen te voegen, — de gunst van God, waardoor Hij de zonde vrij en om niet kwijt scheldt, — en Zijn zegen, dien Hij Zijn' kinderen schenkt, nadat Hij hen in Zijne Vaderlijke liefde beeft aangenomen. Daarom beteekent breng, of geef, het goede: ,/0 Heere, neem ons ten eerste aan in Uwe gunst, en toon ons dan, ook door Uwe uitwendige weldaden, dat Gij ons werkelijk genegen zijt".

Nu volgt: Zoo zullen wij betalen, of wedergeven, de varren onzer lippen. In deze Schriftuurplaats belijden de geloovigen, dat zij Gode de milddadigheid, waarmede Hij hen alle dingen zoo overvloediglijk schenkt, niet anders kunnen vergelden, dan door Zijne goedheid te loven in hun lied, en te erkennen, dat zij Hem alles verschuldigd zijn. Dit is dus eene merkwaardige plaats, want zij stelt Gods goedheid jegens de menschen in het licht, en zij leert ons, dat de menschen van hunne zijde Hem niets ter vergelding hebben aan te bieden, maar Hem slechts lot kunnen toebrengen voor Zijne goedheid, gelijk ook in Psalm CXVI gezegd wordt: ;/Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan mij bewezen ? Ik zal den beker deiverlossingen opnemen, en den naam des Heeren aanroepen". Ook daar getuigt de profeet, dat God niet milddadig is voor de menschen, omdat Hij iets van hen verwacht of eischt, want wat kunnen zij Hem geven ? Maar dat Hij toch dankzegging verlangt, en dat Hij tevreden is met het offer des lofs, gelijk wij dit ook in Psalm vijftig zien. Hetzelfde leeren wij echter hier, uit deze plaats, O Heere, zeggen zij, breng het goede; dat

Sluiten