Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is . //Hoewel wij ons op allerlei wijze aan Uwe oordeelen hebben blootgesteld, daar wij door onze tallooze zonden U tot toorn ebben verwekt, zoo laat toch Uwe goedertierenheid al onze ongerechtigheden te boven gaan, daar Gij ons rein hebt gemaakt; en breng dat goede, hetwelk tot nu toe, als het ware ver van ons weggedaan was". Want terwijl God de teekenen toont van Zijn toorn, moeten wij wel beroofd zijn van al Zijne zegeningen. Daarom vragen zij, dat God, na hen opnieuw Zijne gunst geschonken te hebben, hun Zijne vriendelijkheid zal betoonen. En wat zeggen zij ten laatste P ,,0 Heere, wij beloven geene vergelding, want Gij verlangt haar niet, en het is ook niet in onze macht er te geven; maar wij zullen U de varren onzer lippen betalen ; dat is : „Wij zullen belijden, dat wij aan U alles verschuldigd zijn; want het is slechts het offer des lofs, dat wij U kunnen aanbieden, als Gij ons met alle zegenineen als overladen hebt.

En varren der lippen noemt de profeet zeer gepast den lof, dien God als het voornaamste offer van ons eischt; want onder de wet hebben sommigen varren geofferd om hunne geloften te betalen. Maar de profeet toont aan, dat God geene uitwendige offers aanziet, maar slechts welbehagen heeft in die oefening der Godsvrucht, die de rnenschen op eene andere wijze volïengen, nl. in de offeranden der dankzegging. Dat is dus de beteekenis van deze overdrachtelijke uitdrukking; alsof hij zeide: „De varren, die gewoonlijk geofferd worden, zijn niet de ware offers, waarin God een welbehagen heeft, veeleer strekken zij om aan te toonen, dat de rnenschen aan God lof behooren te offeren. Nu verstaan wij de beteekenis van dit vers. Volgt:

4. Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paaiden, en tot hot werk onzer handen niet meer zeggen : Gij zijt onze Grod. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.

Dit vers behoort saamgevoegd te worden met het voorgaande, daar de Israeheten hier duidelijker en vollediger aaotoonen waarin zij gezondigd hebben, en tevens blijk geven van hun berouw ; want als zij zeggen : De Assyrier zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen met meer zeggen: Gij zijt onze God, dan moet dit verstaan worden als eene belijdenis, dat zij door deze dingen den toorn Gods tegen zich hadden opgewekt; want zij hadden gehoopt op hulp en heil van de Assyriërs, hebben zich her- en derwaarts begeven, en zich op die wijze vervreemd van God.

Sluiten