Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekent, dat het geluk des volks blijvend zijn zal. Wat betreft de roos of lelie, de beteekenis van deze beeldspraak is, dat God plotseling, als in één oogenblik, de Israelieten zal verlevendigen, hoewel zij als dooden waren. Gelijk de lelie in een nacht zich verheft, en dit ook onverwachts zoo is met de roos, even plotseling zal de verandering zijn, die door deze beeldspraak wordt aangeduid. Daar echter leliën en rozen spoedig verwelken, was het genoeg om aan Israël te beloven, dat hunne verlossing plotseling zou komen, het was ook noodig er deze tweede zinsnede bij te voegen, hoewel zij als de leliën en rozen zullen zijn, zullen zij toch ook als hooge boomen wezen, die diepe wortelen in den grond hebben, waardoor zij stand houden en gedurende langen tijd groeien en bloeien.

Nu verstaan wij dus de bedoeling van den profeet. Hij maakt hier melding van de tweeledige uitwerking van Gods zegen ten opzichte van de Israelieten, — hunne wederherstelling zal plotseling wezen, zoodra God Zijne gunst als de dauw op hen zal doen nederdruppelen, en tevens, dat dit geluk niet voorbijgaand zijn zal, maar blijvend en vast. En de woorden kunnen vertaald worden : gelijk de Libanon, of gelijk die van den Libanon: gelijk de Libanon zal hij zijne wortelen uitslaan, gelij k de boomen, die daar groeien ; of, hij zal zijne wortelen uitslaan gelijk de boomen, die op den Libanon zijn. Maar in de beteekenis maakt dit geen verschil. Volgt:

7. Zijne scheuten zullen zich uitspreiden, en zijne heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. 8. Zij zullen wederkeeren, zittende onder zyne schaduw ; zy zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijne gedachtenis zal zyn als de wyn van Libanon.

De profeet gaat nog voort met hetzelfde onderwerp, maar voegt het begin van het eerste vers samen met de tweede zinsnede van het vorige vers. Hij had gezegd, dat de wortelen des volks diep zullen zijn, als God hen wederhersteld heeft. Nu voegt hij er bij, dat hunne takken voort zullen gaan, en hij bedoelt dit in overdrachtelijken zin voor ver verspreiden ; want takken van boomen schijnen voort te gaan, als zij zich uitstrekken en zich ver en wijd uitbreiden. Zijne takken zullen dus voortgaan; hetgeen beteêkent dat een boom, na wortel geschoten te hebben, niet in denzelfden toestand blijft, maar groeit, en zijne takken in alle richtingen uitzendt. Kortom, God belooft een dagelijksche toeneming van Zijn zegen, nadat Hij zich

Sluiten