Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U voorgesteld is. Laat U niet ophouden, noch in de war brengen door wijsneuzen, die het geheel ongepast vinden, knapen tot deze wetenschap, die, zoo zij zeggen, niet past voor hun leeftijd, te lokken. Want niets is meer ongerijmd en onverdragelijk, dan U te berooven van dit middel tegen de veelsoortige bederfselen, die U omringen. Als de hofvermaken zelfs Uwe dienaren bederven, hoeveel gevaarlijker zijn deze valstrikken dan voor groote vorsten ? Deze toch hebben zulk een overvloed van alle genoegens en vermaken, dat het een wonder is, zoo ze niet geheel in bandeloosheid ontaarden. Ten minste het strijdt haast met de natuur, zonder wellust overvloed van genoegens te smaken. En hoe moeilijk het is te midden van vermaken eene ongeschondene reinheid te bewaren, blijkt genoegzaam uit de ervaring.

Maar gij, doorluchtigste Prins, beschouw alles als vergif, wat in U de wellust zou doen toenemen. Want indien nu reeds datgene U streelt, wat dient tot verstikking van ingetogenheid en matigheid, wat zult gij dan wel begeeren als gij groot zijt geworden ? Misschien is deze uitspraak wel wat al te scherp : „hoe bezorgder voor 't lichaam hoe zorgeloozer voor de deugd". Toch heeft Cato aldus de volle waarheid gezegd.

Ook zal deze stelling: „Ik ben te groot en tot te hooge dingen geboren, dan dat ik een slaaf zou willen zijn van mijn eigen lichaam, want hoe geringer ik het acht, hoe grooter mijne vrijheid is", ternauwernood bestaanbaar worden geacht met de gewone leefwijze. Weg dus met alle onmatige gestrengheid, waardoor alle genot uit het leven wordt weggenomen. Maar er zijn voorbeelden in overvloed, om te bewijzen, hoe licht men van zorgeloosheid en toegevendheid vervalt tot lichtvaardige schaamteloosheid. Toch zult gij niet slechts met weelderigheid te strijden hebben, maar ook met tal van andere ondeugden. Uwe vriendelijkheid, Uwe bescheidenheid, Uwe zedigheid zijn alleraangenaamst. Doch er is geen karakter zoo kalm en standvastig, dat niet, door toejuichingen bedwelmd, tot ruwheid en norschheid ontaardt. Wijl nu ontelbare vleiers gelijk staan met even zoovele prikkelen, om Uw gemoed aan te zetten tot tal van ijdele genietingen, hoeveel te sterker moet gij U dan niet inspannen, om op Uwe hoede te zijn ? Met U te waarschuwen tegen hofvleierijen, vraag ik echter niets anders, dan dat gij toegerust met ingetogenheid U onoverwinnelijk zult betoonen.

Sluiten