Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ment Zijner opperzalen legt. Ps. 104 vs. 3. Elders roept'hij de wateren in den hemel op om den Heere te laven. Ps. 148 vs. 4. '

Toen God de wolken had geschapen en Hij haar de luchtstreek boven ons had aangewezen, mocht daarom niet met stilzwijgen voorbijgegaan worden, dat zij door Gods kracht tegengehouden werden; anders zouden zij door eene plotselinge uitstorting ons doen verdrinken, te meer omdat hun geen ander beletsel is gesteld dan de heldere en vluchtige lucht. Deze zou gemakkelijk wijken, zoo ni^ dit woord sterker was „dat er een uitspansel zij tusschen de wateren".

Overigens heeft Mozes aan het werk van dezen dag niet de bekende opmerking toegevoegd, dat God zag, dat alles goed was. Waarschijnlijk deed hij dit, omdat het nut nog niet in 't oog viel, zoolang niet de wateren der aarde zich op eene eigene plaats samentrokken, hetgeen op den volgenden dag gebeurd 's. Daarom wordt het daar tweemaal herhaald.

9. Dat de wateren vergaderd worden. Ook dit is een schitterend wonder, dat de wateren door hunne scheiding den menschen eene woonplaats hebben gegeven. Ook de natuurkundigen stemmen toe, dat de plaats van net water in den beginne, gelijk Mozes verhaalt, van dien aard gewëest is, dat het de geheele wereld omringde. Ten eerste moet het als grondstof ook rond zijn, en omdat het zwaarder dan lucht en lichter dan aarde is, zoo moesten de wateren deze aarde over den ger heelen omloop bedekken. Dat echter de. wateren op een. hoop werden gedrongen en plaats ruimden voor de menschen, is iets bovennatuurlijks. Daarom verheft de Schrift in dit opzicht dikwerf de goedheid Gods. In Ps. 33 vs. 7 leest men : „Hij vergadert de wateren op eenen hoop, en verbergt ze in schatkameren." Zoo ook Ps. 78: „Hij verzamelde de wateren als in eenen zak." Jerem. 5 vs. 22 : „Zult gij mij niet vreezen ? Zult gij niet beven voor Mijn aangezicht, die het zand tot een grenspaal der zee heb gesteld?" Job 38 : 8: „Wie heeft de zee met deuren gesloten ? Heb ik ze niet grenzen en sluitboomen gesteld ? Ik heb gezegd, tot hiertoe zult gij komen, hier zullen uwe schuimende golven gebroken worden". Laten wij derhalve opmerken, dat wij op het drooge wonen, omdat God door Zijn bevel de wateren heeft weggedreven, opdat zij niet de geheele aarde zouden onderdompelen.

11. Dat de aarde uitspruite. Tot nu toe was de aarde

Sluiten