Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewonderenswaardige kunstvaardigheid uitblinkt. Doch deze meening strijdt geheel tegen de Schrift, gelijk we zien zullen. Even onwaarschijnlijk is de uitlegging van Chrysostomus, die het Beeld Gods laat bestaan in de macht, die den mensch gegeven is, om eenigermate Gods plaats in het bestuur der wereld in te nemen. Dit is wel een zeker deel van het Beeld Gods, maar slechts een gering deel. Omdat door Adams val Gods Beeld in ons verwoest is, moet uit de herstelling beoordeeld worden, van welken aard het is. Paulus zegt, dat wij door het Evangelie vernieuwd worden naar het Beeld Gods. Volgens hem is de geestelijke wedergeboorte niets anders, dan de herstelling van Gods Beeld. Col. 3 vs. 10, Ef. 4 vs. 23.

Dat hij het stelt in gerechtigheid en ware heiligheid, is een deel voor 't geheel genomen. Want dit is wel het voornaamste deel, maar niet het geheel. Derhalve wordt met „gelijkenis" aangeduid de ongeschondenheid der geheele natuur. Adam was toen nog begaafd met rechte kennis, hij had hartstochten in overeenstemming met de rede, al zijne vermogens waren gezond en geregeld, en hij muntte naar waarheid in alle dingen uit. De voornaamste zetel van het Goddelijk Beeld lag dus in 't verstand en in 't hart, waarin het 't meest uitblonk.

Er was echter geen stukje aan hem, waarin niet eenige vonken schitterden van het Beeld Gods. Want in elk deel der ziel heerschte eene stemming, die voortdurend in goede harmonie bleef. In het verstand woonde en heerschte het licht der rechte kennis, gepaard aan zuiverheid der rede, en alle vermogens waren tot gehoorzaamheid aan de rede geneigd en geschikt. In het lichaam heerschte eene orde, bij dien toestand passende. Schoon thans eenige onduidelijke trekken van dat Beeld in ons overblijven, zoo zijn deze toch zoo bedorven en verminkt, dat men naar waarheid kan zeggen, dat ze zijn verwoest. Want behalve de misvorming, die overal leelijk te voorschijn komt, is er ook nog dit kwaad, dat er geen deel is, of 't is geschonden door de smet der zonde.

Met ons Beeld, naar onze Gelijkenis. Bij de voorzetsels 3 en 3 blijf ik niet schroomvallig staan. Ik weet niet of 't waar is, wat sommigen beweren, dat dit wordt gezegd, omdat strikt genomen Gods Beeld slechts in ontwerp bestond, totdat het zijne voltooiing bereikte. De zaak zelve is wel waar, maar ik geloof niet, dat aan Mozes zoo iets in de gedachten is gekomen.

Sluiten