Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is ook naar waarheid, als men zegt, dat Christus het Eenige Beeld des vaders is. Maar dezen zin: „in ons beeld, d. i. Christus", laten Mozes woorden niet toe. Neem hierbij in aanmerking, dat de man, schoon met een ander oogmerk, het Beeld Gods wordt genoemd. En hierin hebben zich sommige Kerkvaders vergist, die meenden, dat ze met dezen pijl de Arianen doorboorden, zeggende dat Christus alleen het Beeld Gods is. Maar ook deze moeilijkheid is wel op te lossen, waarom Paulus ontkent, dat de vrouw het Beeld Gods is, terwijl toch Mozes beide geslachten zonder onderscheid met dezen titel vereert. De oplossing is eenvoudig, want Paulus roert daar alleen den toestand van het huisgezin aan. Derhalve beperkt hij Gods Beeld tot de heerschappij, waardoor de man uitmunt boven de vrouw. Dit beteekent ten minste niets anders dan dat de man in hoogeren graad van eer staat dan de vrouw. Hier wordt echter gehandeld over de heerlijkheid Gods, die in de menschelijke natuur bijzonder uitblinkt, daar 't verstand, de wil en alle vermogens eene Goddelijke orde vertegenwoordigen.

En dat hij heerschappij hebbe. Hier verhaalt God een gedeelte van de waardigheid, waarmee Hij den mensch besloot te bekleeden. n.1. met de heerschappij over alle dieren. Wel stelde Hij hem tot een heer over de geheele wereld maar in 't bijzonder onderwierp Hij hem de dieren, die, daar zij een eigen wil hebben, minder onder vreemde heerschappij schijnen te staan.

Het meervoudig getal wijst aan, dat dit recht niet aan Adam alleen \verd gegeven, maar ook aan al zijne nakomelingen. En hieruit besluiten wij, waartoe alles is geschapen, n.1. opdat niets den mensch zou ontbreken in alle behoeften en gebruiken van het leven. In de orde der schepping komt de vaderlijke zorg Gods jegens den mensch nog beter uit; want voordat Hij hen vormde, voorzag hij de wereld met alle noodige dingen, ja zelfs met grooten overvloed van schatten. Zoo was hij dus al rijk, voordat hij werd geboren. En bij aldien God zulk eene zorg voor ons had, vóór wij bestonden, zal Hij het ons dan, nu wij in de wereld zijn geplaatst, aan voeding en overig levensonderhoud laten ontbreken ? Dat Hij dikwerf Zijne hand gesloten houdt, is te wijten aan onze zonden.

27. Derhalve schiep God den mensch naar Zijn Beeld. Dat nog eens sprake is van het Beeld Gods, is geene overtollige her-

Sluiten