Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Havila zich uitstrekt naar den kant van Susiana en Perzië. Want het is noodzakelijk, dat het beneden Assyrië ligt, naar de Perzische golf, dus ver van Egypte : omdat Mozes van vele volken verhaalt, die tusschen de grenzen hebben gewoond. Voorts staat het vast, dat de Nabathaeërs, van wie daar melding wordt gemaakt, in de nabijheid van Perzië hebben gewoond. Zeer juist past thans, wat Mozes verzekert van het goud en de kostbare steenen.

Nu is nog overig de Gihon, waarvan Mozes verhaalt, dat hij 't land Chus bespoelt. Alle uitleggers vertalen: „Aethiopië"; maar 't land van de Midianieten en de streek, die aan Arabië grenst, wordt bij Mozes met denzelfden naam aangeduid, om welke reden zijne vrouw elders wordt genoemd „Aethiopische." Wijl voorts de benedenloop van den Eufraat zich naar die zijde uitstrekt, zie ik niet in, waarom 't voor dwaas wordt gehouden, dat die met den naam van Gihon wordt aangeduid. En zoo is de zin van Mozes' eenvoudig verhaal, dat de hof, waarvan Adam de bezitter was, besproeid is geweest door de rivier, die daardoor liep, en die later in-vier armen zich verdeelde.

15. Zoo nam dan de Hecre God den inensch. Thans voegt Mozes hieraan toe, dat met deze bedoeling de aarde aan den mensch gegeven is, opdat hij zich met de bebouwing daarvan zou bezighouden.

Daaruit volgt, dat de menschen zijn geschapen, om iets te doen, opdat zij niet traag en lui zouden neerliggen. Wel was deze arbeid aangenaam en vol genot, verre van alle moeite en verveling, maar wijl God wilde, dat de mensch zich zou oefenen in de bebouwing der aarde, heeft Hij de luiheid en rust in hem veroordeeld. En daarom is er niets, dat meer strijdt met de orde der natuur, dan zijn leven door te brengen met eten, drinken en slapen, en ons intusschen voor te nemen niets te doen. Mozes voegt er bij, dat Adam is aangesteld geweest tot bewaking van den hof, om aan te toonen, dat wij, hetgeen de Heere ons ter hand stelt, met dat doel bezitten, dat wij tevreden met een vruchtbaar en matig gebruik, het overige zouden bewaren. Die een akker bezit, moet dus de jaarlijksche vrucht trekken, en toezien dat hij de grond door zorgeloosheid niet laat uitgeput worden, maar hij moet zich er op toeleggen, om hem aan de nakomelingen over te leveren, zooals hij hem heeft ontvangen, of nog beter bebouwd. Laat hij

Sluiten