Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afkeer daarvan de verderf-aanbrengende wet van het coelibaat in te voeren, en vervolgens, opdat de echtgenooten zich zooveel vrijheid zouden veroorlooven, als ze maar willen. Derhalve moet door de waardigheid van het huwelijk aan te toonen, het bijgeloof worden opgeheven, opdat de geloovigen geen beletsel vinden om de wettige en reine instelling Gods zuiver te gebruiken. Vervolgens moet men tegemoet komen aan de teugelloosheid des vleesches, opdat de mannen eerbaar met de vrouwen samen wonen. Zoo al geefte andere reden ons drong, toch zou dit eene ons genoeg moeten zijn, dat zoo wij niet eervol over 't huwelijk denken en spreken, wij smaad aandoen aan den Bewerker en Bestuurder daarvan. Want aldus wordt het hier door Mozes beschreven.

23. En Adam zeide. Er wordt gevraagd, vanwaar Adam deze kennis had, daar hij op dat oogenblik door eenen diepen slaap was overvallen. Zoo wij zeggen, dat hij toen zoo scherpzinnig is geweest, dat hij zijn oordeel kon opmaken uit vermoedens, krijgen wij eene zwakke oplossing. Maar 't behoeft voor ons niet twijfelachtig te zijn, of God heeft hem öf door verborgene openbaring of door mondelinge aanspraak, den loop der zaak geopenbaard. Want niet, omdat Hij zelf dit noodig had, heeft Hij de rib aan den man ontleend, om daaruit de vrouw te vormen, maar Hij wilde, dat zij onderling door dezen band des te meer verbonden zouden zijn. En dit kon niet gebeuren, zoo Hij hen niet met die zaak in kennis had gesteld. Wel drukt Mozes niet uit, hoe Hij dit heeft bekend gemaakt; maar tenzij wij Gods werk overtollig willen maken, moeten wij besluiten, dat de Bewerker zoowel dit, als de wijze en 't doel van Zijne openbaring heeft bekend gemaakt.

De slaap toch werd Adam toegezonden, niet om de oorsprong der vrouw voor hem te verbergen, maar om de smart en de moeite weg te nemen, totdat hij eene zoo heerlijke belooning kreeg voor het missen zijner rib. Dat hij zegt „ditmaal" beteekent, dat hij tot hiertoe iets tekort kwam, alsof hij zeide: „Nu eindelijk heb ik een rechte wederhelft gekregen, die een deel is van mijn wezen en van mijn vleesch, en waarin ik als t ware mijzelven aanschouw." En hij gaf aan de vrouw eenen naam naar den man, om door dit bewijs en dit teeken Gods wijsheid tot eeuwige gedachtenis te roemen. De armoede der Latijnsche taal dwong den vertaler ntW „ischa" te vertalen

Sluiten