Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mensch is de zonde en door de zonde de dood. En daarom zegt hij elders Ef. 2 vr. 3, dat wij kinderen des toorns zijn ; waarmee hij ons aan eene eeuwige vervloeking onderwerpt.

Kortom, dat wij beroofd zijn van de uitnemende gaven des Heiligen Geestes, van het licht der rede, van gerechtigheid, van heiligheid en tot alle kwaad geneigd, en voorts, dat wij als verlorenen en veroordeelden aan den dood zijn onderworpen, daarin is onze toestand erfelijk, en tegelijk bestaat daarin de rechtvaardige straf, die God aan het menschelijk geslacht in Adams persoon geeft opgelegd. Als nu iemand tegenwerpt, dat het onbillijk is, dat onschuldigen voor 't kwaad van anderen boeten, antwoord ik, dat alle gaven, die God ons in Adams persoon had geschonken, met het grootste recht konden worden opgeheven, toen hij goddeloos is afgevallen. Ook is t niet noodig de toevlucht te nemen tot dat oude verzinsel van sommigen, dat de zonde door voortplanting is ontstaan. Want niet langs natuurlijken weg hebben de nakomelingen door de afstamming uit Adam het bederf gekregen, maar veel meer door de beschikking Gods. De geheele natuur van het menschelijke geslacht had Hij als het ware in één mensch versierd met de meest uitnemende gaven, en zoo ook heeft Hij het in denzelfden persoon daarvan ontbloot. Sinds wij in Adam bedorven zijn, dragen vrij dus niet de straf van eens anders kwaad, maar staan wij sfchufdig door ons eigen kwaad. Door sommigen wordt de vraag ter sprake gebracht aangaande den tijd van den val, of liever der verwoesting. De meening is algemeen verspreid geweest, dat ze op hun scheppingsdag ook gevallen waren ; daarom schrijft Augustinus, dat ze maar zes uren zijn staande gebleven. Wat anderen gissen, dat de beproeving door satan is uitgesteld tot den Sabbathdag, om dien heiligen dag te ontheiligen, is al te zwak.

Door zulke bewijsgronden worden alle vromen aangemaand, om in twijfelachtige beschouwingen niet al te vrij den teugel te vieren. Ik voor mij, al heb ik geen grond om dit te bevestigen, meen toch uit Mozes verhaal te kunnen opmaken, dat zij hunne verkregene waardigheid niet lang behouden hebben. Want zoodra hij gezegd heeft, dat ze geschapen waren, gaat hij zonder iets anders te vermelden, terstond over tot den val. Indien nu Adam eenigen tijd met zijne vrouw geleefd had, zou toch Gods zegening in het vermeerderen van het zaad niet

Sluiten