Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijk geslacht en de slangen, gelijk nog heden ten dage wordt gezien. Want door een verborgen gevoel in onze natuur heeft de mensch van deze een afschuw. Dat enkele menschen ze aangenaam vinden, moet onder de onnatuurl ijke dingen gerekend worden, en zoo dikwijls 't zien van slangen ons schrik aanjaagt, wordt de herinnering aan onzen val hernieuwd. In één onafgebroken zinsverband verbind ik dit met wat terstond volgt: „datzelve zal U den kop vermorselen en gij zult het de vet zenen vermorzelen". Immers Hij verkondigt, dat er zulk een haat zou zijn, dat zij over en weer voor elkander gevaarlijk zouden zijn, dat de slang den menschen vijandig zou zijn, en de menschen hunnerzijds zich op het uitroeie n der slangen zouden toeleggen.

Intusschen zien wij, dat de Heere Zich barmhartig betoont in het straffen van den mensch. Want verwijl Hij der slang niet meer vrijheid veroorlooft dan den hiel van den mensch aan te raken, staat Hij dezen toe den kop der slang te vermorzelen. Want in de namen „kop" en „verzenen" ligt dezelfde onderscheiding als van het hoogere en het lagere. En zoo doet de Heere nog eenige heerschappij aan den mensch overig blijven, doordat Hij de wederkeerige neiging om elkaar afbreuk te doen zoo maakt, dat zij toch niet gelijk staan, maar de mensch de sterkere zal zijn in den strijd. Dat Hieronymus in het eerste lid vertaalt: i»g'j zuh den kop vermorselen" en in het tweede: „gij zult op hare verzenen loeren" is zonder grond geschied. Immers hetzelfde woord wordt door Mozes herhaald ; alleen moet bij den kop en de verzenen het verschil worden opgemerkt, zooals ik vroeger heb aangetoond. Het Hebreeuw sche woord echter, hetzij het van ot van is afgeleid, vertalen

sommigen door vermorzelen, anderen door treffen, anderen door bijten. Voor mij lijdt het geen twijfel, of Mozes heeft willen zinspelen op den naam der slang, die in het Hebreeuwsch -piTSC' wordt genoemd, van HSt? of

Thans past het ons van de slang over te gaan op den bewerker van het kwaad zeiven, en dit niet alleen door vergelijking, want er bestaat ook eene werkelijke letterkundige aanduiding. God koelt dus niet Zijn toorn aan een uitwendig instrument, om den duivel te sparen, bij wien de geheele schuld berustte. Opdat dit te zekerder bij ons zou vaststaan, is het van belang eerst na te gaan, dat de Heere niet ter wille van de slang maar vaq de menschen heeft gesproken.

Sluiten