Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verband ? Doch ik kan met eene korte wederlegging volstaan, zoodra ik den oorspronkelijken zin heb weergegeven. Mij komt het voor, dat wij deze woorden, waarin de Heere den goddelooze van ondankbaarheid beschuldigt, als een verwijt hebben te beschouwen, dat hij zijn eerstgeboorterecht als niets achtte. Elk onzer, die met bijzondere weldaden Gods is verrijkt, en niet den Bewerker, aan Wien hij zijne genade te danken heeft, des te grootere eere zoekt te geven, verraadt daardoor zijne goddeloosheid. Schoon Abel in waardigheid beneden zijn broeder stond, in het dienen van God was hij veel ijveriger. De eerstgeborene diende God achteloos en slaafsch, schoon hij Hem alleen die hooge waardigheid te danken had. En dit rekent God hem als eene dubbele zonde aan, dat hij niet eens zijn broeder op zij streefde, laat staan dan overtrof

in vroomheid, gelijk in rang.

Wat de uitdrukking betreft, dat de mindere begeerte heeft tot iemand, aan wiens gezag hij is onderworpen, deze is in 't Hebreeuwsch heel gewoon. Hetzelfde verhaalt Mozes van de vrouw (hoofdst. 3 vs. 16), dat hare begeerte tot den man zou zijn. Kinderachtige beuzelarij misbruikt deze plaats tot een bewijs voor den vrijen wil. Want al geven wij toe, dat Kaïn vermaand wordt van zijn plicht, om de zonde te dooden, zoo kan daaruit niet worden afgeleid, dat de mensch uit zichzelf hiertoe kracht bezit. Immers, dit is zeker, dat alleen de genade des Heiligen Geestes de lusten des vleesches doodt, en ons voor overheersching door deze bewaart. Zoo dikwijls God iets beveelt, mag men daaruit niet afleiden, dat wij voldoende kracht in onszelven hebben om te gehoorzamen, liet is beter met Augustinus te zeggen : „Eisch van mij, zooveel Gij wilt, doch geeft eerst wat gij eischt".

8. En Kaïn sprak met Abel, zijnen broeder. Enkelen vatten dit spreken op in onbepaalden zin, alsof hij verraderlijk zijn toorn heeft ingehouden en op broederlijke wijze heeft gesproken. Hieronymus vat deze woorden op als een gesprek, 't welk hij aldus weergeeft: „kom laten wij naar buiten gaan". Ik geloof, dat de rede afgebroken is en er iets bijgedacht moet worden. Maar hoe dit moet luiden is onzeker. Ook houd ik het er voor, dat Mozes zoo onsamenhangend spreekt, omdat hij de lage trouweloosheid des huichelaars laakt. Deze treedt in een vriendschappelijk gesprek op onder het masker der

Sluiten