Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klinken de woorden : „Daarom dat hij zelf ook vleesch is". God klaagt hier, dat de van Hem gestelde orde zoozeer verbroken is, dat Zijn Beeld veranderd is in vleesch.

Zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Al te onzinnig is de droomerij van enkele oude schrijvers, zooals Lactantius en anderen, die meenen, dat met deze tijdruimte de loop van het menschelijk leven zou eindigen. Het is immers duidelijk, dat hier niet over 't leven van ieder afzonderlijk wordt gesproken, maar dat aan de geheele wereld tijd van berouw wordt gegeven. Voorts straalt hierin ook de wonderlijke goedheid Gods uit, dat Hij, de kwaadwilligheid der menschen moede zijnde, toch nog de uitvoering der laatste straf meer dan eene eeuw uitstelt. Maar hier ontstaat eene schijnbare tegenstrijdigheid, want Noach is gestorven negenhonderdenvijftig jaren ten volle oud zijnde. Van hem wordt echter gezegd, dat hij na den zondvloed nog driehonderdenvijftig jaren heeft geleefd. Derhalve was hij zeshonderd jaar oud op den dag, dat hij de ark inging. Waar moeten wij nu blijven met die twintig jaren? De Joden antwoorden, dat bij het toenemen van 's menschen boosheid de tijd is ingekort. Maar zulk een uitvlucht is niet noodig, daar de Schrift, als over het vijfhonderdste jaar van zijn leven wordt gesproken, niet de verzekering geeft, dat hij toen reeds zoover was gekomen. Dit is eene meer gewone wijze van spreken, dat zoowel het begin als het einde van een tijdperk in ronde cijfers wordt aangeduid. Omdat dus de grootste helft van het vijfde honderdtal verloopen was, zoodat hij dicht bij de 500 jaar was, wordt hij gezegd van dien leeftijd geweest te zijn.

4. Er waren reuzen op de aarde. Onder de talrijke soorten van bederf, waarmee de aarde was vervuld, vermeldt Mozes hier ééne soort in 't bijzonder, dat reuzen als tyrannen hebben geheerscht. Nu, ik geloof niet, dat hier sprake is van alle menschen van dien tijd, maar van sommigen, die, wijl ze sterker dan de anderen waren, steunende op hunne kracht en hunnen invloed,zich boven alle wet en regel hebben verheven. Wat betreft het Hebreeuwsche woord 3,L'23 (nephalim), wel is de afkomst daarvan bekend, n.1. van het werkwoord 723 (naphal),dat„vallen" beteekent, maar over de grammaticale beteekenis zijn de geleerden 't niet eens. Enkelen meenen, dat zij zoo worden genoemd, omdat zij boven de gewone lengte uitgingen; anderen omdat

Sluiten