Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overblijft, doch Mozes zegt, dat het verstand van hen, over wien hij spreekt, zoo geheel doortrokken is geweest van het kwade, dat de geheele geest enkel, hetgeen verdoemlijk was, voortbracht. De uitdrukking, die hij bezigt, is zeer scherp. Het was genoegzaam, als hij gezegd had, dat hun hart vol slechtheid was. Niet tevreden met dit woord, zegt hij uitdrukkelijk „alle gedichtsel der gedachten des harten" en voegt er aan toe „alleenlijk", alsof hij wilde ontkennen, dat nog eenige smaak voor het goede daarmee vermengd was.

Ten allen dage. Enkelen verklaren dit partikel: „van de prille jeugd af", alsof hij zeide, dat de verkeerdheid den menschen was aangeboren. Uoch deze verklaring is dichter bij de waarheid, dat de wereld destijds in haar slechtheid is verhard geworden en zoo min terugkeerde tot het voortbrengen van goede vrucht, of eenige neiging tot berouw kreeg, dat ze met verloop van tijd slechter werd. Kortom, het was geene razernij van enkele dagen, maar eene hardnekkige verkeerdheid, die de zonen als 't ware door erfrecht gekregen hadden, en van de ouders op de kleinkinderen overbrachten. Overigens, schoon Mozes hier spreekt over de boosheid, die toen in de wereld heerschte, zoo past het ons toch hieruit eene algemeene leer af te leiden. Want het is geene verdraaiing van deze plaats, als men ze laat slaan op het geheele menschelijke geslacht. Als David zegt, dat allen zijn afgevallen, dat ze onnut zijn geworden en er niemand is, die zich op het goede toelegt, niet tot één toe, dat hun keel een geopend graf is, dat er geene vreeze Gods is voor hunne oogen, Ps. 5: 10 en 14 : 13, beweent hij wel de goddeloosheid van zijnen tijd, maar Paulus aarzelt niet dit in Rom. 3 : 12 te laten slaan op alle stervelingen van alle tijden. En terecht, want dit is niet maar eenvoudig eene klacht over enkele menschen, maar eene beschrijving van het menschelijk verstand, als het, ontbloot van den Geest Gods, aan zichzelven wordt overgelaten. Zeer juist van pas is het dus, in deze woorden eene veroordeeling te zien van de hardnekkigheid der menschen, die Gods goedheid al te zeer misbruikten. Maar tegelijk wordt hier in 't licht gesteld, hoedanig de natuur der menschen is, als ze van de genade des Geestes is verstoken.

6. Toen berouwde het den Heere, dat hij den mensch op aarde gemaakt had. Het berouw, dat aan God wordt toegekend, past eigenlijk niet op Hem, maar heeft betrekking op onze be-

Sluiten