Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. En de wateren zijn teruggekeerd van de oppervlakte der aarde door her- en derwaarts te gaan, en de wateren namen af, ten einde van honderd en vijftig dagen.

4. En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, boven de bergen van Ararat.

5. En de wateren gingen en namen af tot de tiende maand. In de tiende maand, op den eersten dag der maand, zijn de toppen der bergen gezien.

6. En het geschiedde ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opende.

7. En hij zond eene raaf uit, en deze is in en uitgegaan totdat de wateren, die op de aarde waren, zijn opgedroogd.

8. Vervolgens zond hij eene duif van zich, om te zien of de wateren verminderd waren van de oppervlakte der aarde.

9. En de duif vond geene rust voor het hol van haren voet, en is tot hem in de ark teruggekeerd, want de wateren waren op den geheelen aardbodem ; en hij stak zijne hand uit, en greep ze, en nam ze tot zich in de ark.

10. En hij verbeidde nog zeven andere dagen ; toen liet hij de duif wederom uit de ark.

11. En de duif kwam tot hem tegen den avond, en zie, een afgebroken olijfblad was in haren bek; zoo bemerkte Noach, dat de wateren van boven den aardbodem verminderd waren.

12. En hij wachtte nog zeven andere dagen, en zond de duif uit, maar zij keerde niet meer weder tot hem.

13. En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten dag der maand, dat de wateren zijn opgedroogd van boven de aarde. Noach nu deed het deksel der ark af, en zag, en zie, het gelaat der aarde was opgedroogd.

14. En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand was de aarde droog.

15. God nu sprak tot Noach, zeggende:

16. Ga uit de ark, gij en uwe vrouw, en uwe zonen cn de vrouwen uwer zonen met u.

Sluiten