Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooge boom is, aan Zijnen knecht eenig teeken heeft willen geven, om daaruit op te maken, dat de lieflijke en vruchtbare streken reeds van water gezuiverd waren. Daar bij Hieronymus de vertaling gevonden wordt, dat de tak groene bladeren had, zien zij, die meenen, dat de watervloed in de maand September is begonnen, daarin eene bevestiging hunner meening.

Toch wordt in Mozes' woorden niets van dien aard gevonden. Ook kan het zijn dat de Heere, willende Noachs gemoed verlevendigen, aan de duif eenen tak heeft getoond, die niet geheel in het water was verdwenen.

15. God nu sprak tot Noacli. Hoewel Noach niet weinig verschrikt was door Gods oordeel, wordt in dit opzicht zijn geduld geprezen, dat hij toen de aarde zich weer vertoonde en hem eene woonplaats aanbood, niet uit de ark is gegaan. Goddelooze menschen hebben dit aan al te groote vreesachtigheid en traagheid toegeschreven ; maar het is eene heilige vreesachtigheid, die uit geloofsgehoorzaamheid voortkomt. Laten wij het er dus voor houden, dat Noach uit heilige voorzichtigheid niet tot het genieten van de natuur is overgegaan, zoolang niet Gods stem hem daartoe uitnoodigde.

Wel stipt Mozes dit aan met weinige woorden, maar het past ons daarop acht te geven. Het valt een ieder van zelfs op, welk eene groote deugd het was, dat hij na de ongelooflijke verveling van een geheel jaar, toen de watervloed ophield en een nieuw leven aanbrak, niet zonder het bevel Gods een voet dorst te zetten buiten het graf.

Zoo zien wij, dat de heilige man God heeft gehoorzaamd, wijl zijn geloof onafgebroken bleef voortduren. Aangezien hij Op Gods bevel in de ark was gegaan, blijft hij daarbinnen, totdat God de deur opent, en hij wil liever blijven liggen in zijne bedompte atmosfeer dan de vrije lucht ademen, totdat hij wist, dat zijn vertrek Gode aangenaam was. Ook in kleine dingen raadt ons de Schrift deze gematigdheid aan, dat wij niets moeten beproeven, dan met een gerust geweten. Hoeveel te minder is dan in ernstige zaken de lichtzinnigheid der menschen te verdragen, dat ze zonder God te raadplegen zich veroorloven te doen, wat hun goeddunkt. Wel is het niet te verwachten, dat God door buitengewone openbaring in bijzondere oogenblikken zal verklaren, wat er gedaan moet worden, maar toch moeten wij Hem naar de oogen zien, om zeker overtuigd te zijn, dat wij

Sluiten