Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de bewaring van het zaad hun aan te kondigen. Het voornaamste doel was echter, gelijk ik te voren heb aangestipt, om hunne verschrikte gemoederen op te beuren. Want in deze woorden ligt niet maar eenvoudig een bevel, maar ook eene belofte.

8. En God zeide tot Noach. Opdat niet de herinnering aan den watervloed plotseling hen met nieuwe verschrikkingen zou treffen, wordt zoo dikwijls de hemel met wolken is overtogen, alsof de aarde andermaal moest worden ondergedompeld, deze vrees weggenomen. En voorwaar, als wij bedenken, hoe groot de geneigdheid van het menschelijk geslacht is tot wantrouwen, zullen wij dit bewijs ook- bij Noach niet overbodig oordeelen. Wel was hij met een zeldzaam en onvergelijkelijk geloof, tot het wonderbaarlijke toe, begiftigd, maar de kracht der standvastigheid kon niet zoo groot zijn, dat zulk eene droevige en verschrikkelijke straf Gods haar niet te boven ging. Daarom wordt, zoo dikwijls een nog al groote en aanhoudende stroom van water de aarde zou schijnen te bedreigen, eene toevlucht daar tegenover gesteld, waarop de heilige man zich zou kunnen verlaten.

Schoon echter zijne zonen meer deze verzekering behoefden dan hijzelf, zoo spreekt God toch het meest ter wille van hem. En daarop slaat de bijvoeging : „En tot zijne zonen, die met hem waren". Want hoe komt het, dat God met Noachs zonen zijn verbond oprichtende, hen beveelt goede hoop te hebben ? Omdat ze verbonden waren aan hunnen vader, die als het ware de stipuleerder is van het verbond, zoodat zij in de tweede plaats tot het verbond toetreden. Doch zonder den minsten twijfel was het Gods plan, voor al zijne nakomelingen te zorgen, 't Was dus geen privaat verbond, met één huisgezin slechts gesloten, maar om voor elk volk gemeenschappelijk, en in alle eeuwen tot het einde der wereld van kracht te blijven En voorwaar, het is het meer dan noodzakelijk, wijl heden de godde loosheid niet minder overloopt als ten tijde van Noach, dat door dit woord van God als door duizend sloten en grendels, de wateren worden tegengehouden, om niet tot ons verderf los te breken. En daarom, laat ons, steunende op deze belofte, den jongsten dag verwachten, waarop het vuur hemel en aarde zal verteren en louteren.

10. Met alle levende ziel. De genade, die God belooft,

Sluiten