Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij had schapen, koeien en ezels, slaven en slavinnen, en ezelinnen en kameelen.

17. De Heere echter sloeg Pharaö en zijn huisgezin met groote plagen wegens Saraï, Abram's vrouw.

18. En Pharaö riep Abram en zeide: Waarom hebt gij mij dit aangedaan, dat gij mij niet hebt te kennen gegeven, dat zij uwe vrouw is ?

19. Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijne zuster? en ik heb haar mij ter vrouw genomen ; en nu, ziehier uwe vrouw, neem haar en ga heen.

20. En Pharaö onderrichtte de mannen aangaande hem en zij lieten hem en zijne vrouw gaan, en alles wat hem toebehoorde.

1. En de Heere had gezegd tot Abram. De lezers mogen wel toezien, dat zij zich niet in de war laten brengen door de dwaze verdeeling der hoofdstukken. Deze zin moet met de twee voorafgaande verzen in één verband gelezen worden. Te voren had Mozes gezegd, dat Therah en Abram uit hun vaderland waren gegaan, om in het land Kanaan te komen. Nu verklaart hij, dat zij niet zijn gedreven door zucht naar verandenng, gelijk de meeste menschen, die zonder een bepaald plan omzwerven, evenmin door afkeer van hun vaderland, waardoor de meeste ontevredene menschen naar elders zijn verlokt. Ook zijn zij niet gevlucht vanwege het kwaad, noch door eene ijdele hoop verleid of verlokt, gelijk velen door hunne begeerlijkheid her- en derwaarts worden gevoerd. Abram kreeg van Godswege bevel om uit te gaan, en is niet uitgetogen zonder vooraf Gods woord te hebben ontvangen. Zij, die meenen, dat God tot Abram heeft gesproken na den dood zijns vaders, zijn gemakkelijk te weerleggen uit Mozes' eigen woorden. Indien Abram reeds zijn vaderland miste en als vreemdeling elders verkeerde, was immers Gods bevel overbodig? „Ga uit uw land, uw geboortegrond en uws vaders huis." Ook komt het getuigenis van Stefanus hierbij van pas, die toch als een bekwame uitlegger van deze plaats moet beschouwd worden. Hij zegt duidelijk, dat God aan Abram is verschenen, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij vertoefde in Charran ; vervolgens verhaalt hij deze Godsspraak, die wij thans

Sluiten