Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lcgd worden, maak ik mij thans er kort af.

4. En Abram vertrok. Deze woorden grijpen zij aan, tot steun van hun dwaalgevoelen, die meenen, dat God tot Abram heeft gesproken in Charran. Doch die schijngrond is gemakkelijk te weerleggen; want nadat hij de oorzaak van het vertrek er tusschen heeft geplaats, waarom Abram op Gods bevel genoodzaakt was zijn geboortegrond te verlaten, keert hij terug tot het verloop der geschiedenis.

Waarom Abram voor een tijd te Charran is gebleven weten wij niet ; of het moest zijn, dat God hem verhinderd heeft op het eerste gezicht bezit te nemen van het land, dat hij, schoon nog onbekend voor hem, boven zijn vaderland had uitverkozen. Thans wordt gezegd, dat hij uit Charran is gegaan, om de aangevangene reis te voltooien, wat ook door het volgende vers bevestigd wordt, waar gezegd wordt, dat hij zijne vrouw Sarai en zijn neef Lot heeft meegenomen. Want gelijk zij onder leiding en toezicht van hunnen vader uit Chaldaea vertrokken waren, zoo vervolgt en voltooit Abram als hoofd der familie, hetgeen door zijn vader aangevangen was. Toch kan het gebeurd zijn, dat de Heere hem toen eveneens heeft aangespoord om voort te trekken, omdat de dood zijns vaders tusschenbeide was gekomen, en Hij door eene tweede Godsspraak de vroegere roeping heeft bevestigd. Dit nu is zeker, dat te dezer plaatse zijne geloofs-gehoorzaamheid wordt geprezen, en niet alleen deze maar ook zijne vaste en blijvende houding. Ik twijfel er niet aan, of Mozes heeft willen zeggen, dat Abram niet uit berouw te Charran is blijven steken, en als het ware afweek van den rechten loop zijner roeping, maar dat hij altoos Gods bevel in zijn hart ingeprent heeft gehad. Daarom wil ik liever deze bijvoeging „Gelijk de Heere had gesproken" laten slaan op de eerste Godsspraak, zoodat Mozes ons meedeelt, dat hij bij zijn voornemen gebleven is, en zijn ijver, om God te gehoorzamen niet door zijns vaders dood is onderbroken.

Voorts wordt ons hier in één woord de regel voorgeschreven, waarnaar wij ons geheele leven hebben in te richten, n. 1. dat wij niets mogen aanvangen, dan op Gods bevel. Want wat de menschen ook redeneeren over deugden en plichten, geen werk is lofwaardig, noch verdient onder de deugden gerekend te worden, dan dat aan God behaagt. Hij zelf nu betuigt, dat Hij gehoorzaamheid hooger schat dan offeranden.

Sluiten