Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in ballingschap gezonden vanuit het land, dat God hem en zijnen nakomelingen had gegeven. Men neme in aanmerking, dat Chaldaea bovenmate vruchtbaar was. Gewend aan overvloed komt hij dus te Charran, waar men vermoedt, dat hij goed heeft kunnen leven, omdat hij daar in slaven en vermogen is toegenomen. Nu wordt hij door hongersnood verdreven uit dat land, waar hij, steunende op het woord van God, zich een leven had voorgesteld, gelukkig en vol van alle goeds. Wat moest hij daarvan wel denken, zoo hij niet goed gewapend was tegen Satans aanslagen ? Wel honderdmaal zou zijn geloof zijn uitgewischt. Ook weten wij, zoo dikwijls onze meening ons bedriegt en de zaken niet naar wensch gelukken, dat plotseling deze deun door het vleesch ons wordt voorgepraat: God heeft U bedrogen. Doch Mozes toont met enkele woorden aan, hoe krachtig Abram dien hevigen aanval heeft doorstaan. Niet door loftuitingen prijst hij zijne standvastigheid, maar met een enkel woord toont hij genoegzaam aan, dat zij in het oog vallend is geweest tot in het wonderbaarlijke toe, als hij zegt, dat Abram in Egypte is gekomen, om daar als vreemdeling te verkeeren. Want dit beduidt, dat hij toch het bezit van het hem beloofde land inwendig heeft vastgehouden, schoon hij door hongersnood daaruit verdreven was en om levensonderhoud te vinden naar elders gevlucht was.

Door dit voorbeeld nu worden wij vermaand, dat Gods knechten te strijden hebben met vele hinderpalen, om den eindpaal hunner roeping te bereiken. Want altoos herinnere men zich, dat Abram niet zoo maar een der geloovigen is, maar de vader van alle geloovigen, zoodat zij zich allen moeten inspannen om hem na te volgen. Laten wij dus bedenken, wijl de staat van het tegenwoordige leven onstandvastig en aan ontelbare veranderingen onderhevig is, dat, al komen hongersnood en oorlogsgevaar en andere wisselvalligheden plotseling tegen onze verwachting op om ons in de engte te drijven, wij toch het rechte pad moeten behouden, en dat al worden onze lichamen her- en derwaarts geslingerd, toch ons geloof onbewogen moet blijven staan. Ook is het volstrekt geen wonder, dat Abram terwijl de Kanaanieten, hoe dan ook, het leven konden houden, alleen gedwongen is, om voor zich zeiven te zorgen.

Geen enkele bunder lands had hij; hij had te doen met een onmenschelijk en allerslechtst volk, dat eer honderdmaal

Sluiten