Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hij niet zalig kon worden, dan na deze te hebben verloren. Vele fanatieke menschen sluiten de rijken uit van de hope der zaligheid, alsof armoede alleen de poort des hemels is. Maar zij brengt soms de menschen in meer moeilijkheden dan de rijkdom. Vernuftig is de opmerking van Augustinus, dat de rijken door God met de armen worden samengevoegd in dezelfde erfenis des levens, omdat de arme Lazarus in den schoot van den rijken Abraham werd opgenomen. Anderzijds wachtte men zich voor een ander kwaad : dat de rijkdommen ons geene hinderpaal in den weg werpen, of ons verhinderen onbezorgd naar het koninkrijk der hemelen te staan.

3. En hij qing, volgens zijne reizen. Met deze woorden zegt Mozes, dat Abram niet meer heeft gerust, voor hij was teruggekeerd te Bethel.

Want al sloeg hij op vele plaatsen zijne tent op, nergens vestigde hij zich, om daar voor goed te blijven. Over het Zuiden wordt niet gesproken met het oog op Egypte, maar hij bedoelt, dat Abram gekomen is in het Zuidelijk gedeelte van Judaea, en dat hij dus na eene lange en moeitevolle/reis op die plaats is gekomen, waar hij besloten waste blijven. Vervolgens voegt Mozes er aan toe, dat daar vroeger door hem een altaar was opgericht, en dat hij ook toen op nieuw den Naam des Heeren heeft aangeroepen, opdat wij zouden weten, dat de heilige man zich altoos gelijk is gebleven in het dienen van God en het uiten van vroomheid. Wat enkelen hieruit afleiden, dat de bewoners dier plaats tot den zuiveren dienst van God gebracht zijn, is niet waarschijnlijk en kan niet uit de woorden worden gehaald. Elders hebben wij gezegd, wat deze spreekwijze beduidt : „aanroepen in den Naam des Heeren" of „den Naam des Heeren aanroepen", n.l. den waren en zuiveren dienst van God belijden. Want Abram riep niet slechts twaalf malen in zijn leven God aan, maar wanneer hij Hem vereerde, en door plechtige gebruiken toonde, dat hij niets gemeen had met de bijgeloovigheden der volken, dan wordt van hem gezegd, dat hij den Naam des Heeren heeft aangeroepen. Schoon hij dus altoos God diende, en zich dagelijks oefende in het gebed, wordt, omdat hij niet dagelijks door uiterlijke belijdenis tegenover de menschen zijne vroomheid betuigde, deze deugd door Mozes bijzonder geprezen.

Daarom moet met het altaar de aanroeping in verband

Sluiten