Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het geloof en den geest der heilige vaderen voor twijfel behoedde. In het gezicht, waarvan hier melding wordt gemaakt, werd dus zooveel van Gods Majesteit aan Abram geopenbaard als genoegzaam was tot zekerheid van zijn geloof. Dit beteckent niet, dat God verscheen zooals Hij is, maar in zooverre als Hij met menschelijk bewustzijn kon worden bevat.

Abram schijnt zich hier zeer onbescheiden te gedragen, want hij ziet deze luisterrijke belofte voorbij, en klaagt over zijne kinderloosheid en verwijt God, dat Hij hem tot op heden geen zaad had gegeven. Wat was begeerlijker, dan opgenomen te worden in Gods bescherming en in Zijn bezit gelukkig te zijn ? Zeer oneerbiedig lijkt dus Abrams tegenwerping, waarin hij dit onschatbare goed, dat hem geschonken werd, voorbijziet en niet rust voordat hij een nakomeling bezat. Doch de vrijheid, die Abram zich veroorlooft, zou hiermee allereerst kunnen verontschuldigd worden, dat God ons toelaat, de zorgen waarmee wij gekweld worden en de zwarigheden waaronder wij gebukt gaan, aan Zijnen boezem uit te storten ; voorts moet men de bedoeling der klacht in het oog honden. Immers, hij zegt niet maar eenvoudig, dat hij kinderloos is, maar omdat de vervulling van alle beloften afhing van zijn zaad, vraagt hij niet ten onrechte, dat dat zoo onmisbaar onderpand hem zou geschonken worden. Alle hoop op de zegening en het heil der wereld hing alleen af van zijn zaad. Het is dus geen wonder, dat hij ziende, dat dit voornaamste stuk hem ontbreekt, al het andere als het ware uit het oog verliest, en zijn gemoed niet bevredigd is, noch zijne wenschen vervuld zijn. En dit is ook de reden, waarom God niet alleen een welwillend oor leent aan de klacht van zijnen knecht, maar ook terstond zijne bede inwilligt. Wel schrijft Mozes aan Abram eenc begeerte toe, die van nature in ons allen woont, maar dat neemt niet weg, dat hij ook verder zag, toen hij zoo ernstig een erfgenaam verlangde, die uit hem zou voortkomen, De beloften „aan uw zaad zal Ik dit land geven" was tenminste nog niet uit zijn geheugen gegaan. Evenmin deze: „in uw zaad zullen alle volken gezegend worden". De eerste van deze was zoo nauw verbonden met de overige, dat met het wegnemen daarvan het geloof aan de andere zou zijn gaan wankelen. De laatste bevatte in zich het onderpand der geheele zaligheid. Daarom omvat Abrams bede alles, wat God hem daarin belooft.

Sluiten