Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komelingschap tot op een handvol gebracht, om vervolgens des te meer uit te dijen. Want in Christus worden ook volken begrepen, en door het geloof ingeënt in Abrams stam, om een plaats in te nemen onder zijne wettige zonen. Hierover echter zal in het zeventiende hoofdstuk nog meer gezegd worden.

6. En hij geloofde den Heere. Welk eene vruchtbare en verborgene hor deze plaats bevat, zou niemand onzer hebben vermoed, zoo niet Paulus, Rom. 4 : 3 daarover licht had ontstoken. Doch dit is verwonderlijk en vreemd, dat hoewel Gods Geest zooveel licht heeft ontstoken, toch de meeste uitleggers met geslotene oogen als in nachtelijke duisternis ronddwalen. Over de Joden spreek ik niet, want hunne blindheid is bekend. Doch dat zij, die Paulus tot een duidelijken tolk hadden, zoo dwaas deze plaats hebben bedorven, moet men (gelijk ik zeide) als een wonder beschouwen. Toch bl'jkt daaruit, dat Satan alle eeuwen op geen ding zich zoozeer heeft toegelegd, als op het uitdooven en verstikken van de leer der rechtvaardigmaking door het geloof om niet, welke hier duidelijk geleerd wordt. De woorden van Mozes luiden : „Hij geloofde den Heere, en Hij heeft het hem tot gerechtigheid gerekend. In de eerste plaats wordt Abrams geloof geprezen, waarmee hij Gods belofte heeft omhelsd. In de tweede plaats wordt daaraan toegevoegd eene lofrede des geloofs, omdat Abram daardoor gerechtigheid heeft verkregen voor God, en dat door toerekening. Immers het woord 3E*n dat Mozes gebruikt, is genomen met het oog op Gods oordeel, gelijk Ps. 106 : 31, waar gezegd wordt, dat de ijver van Pinehas hem gerekend is tot gerechtigheid. Wat dit echter beteekent zal uit de tegenstelling beter blijken. Levit. 7 : 18 wordt gezegd: door de verzoening, die geschied is, wordt den mensch de ongerechtigheid niet toegerekend.

Eveneens hoofdstuk 17 vs. 4. „Het bloed zal dien man worden toegerekend". Zoo ook 2 Sam. 19 vs. 19 zegt Simei: „De koning rekene mij de ongerechtigheid niet toe. Hieraan is verwant, wat men vindt 2 Kon. 12 vs. 15; zij rekenden niet met de mannen, welken zij het geld tot het werk gaven, d. i. zij eischten geene rekening van het geld, maar lieten hen op goed geloof af alles besturen. Laten wij nu weer tot Mozes terugkeeren. Wij weten, dat zij, wicn de ongerechtigheid wordt toegerekend, als beschuldigden voor God staan. Evenzoo behandelt Hij hen, dien Hij de gerechtigheid toerekent, als recht-

Sluiten