Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaardigen. Daarom werd Abram door de toerekening der gerechtigheid onder het getal en den rang der rechtvaardigen opgenomen.

Want als Paulus de kracht en de natuur of den aard dezer rechtvaardigheid duidelijk wil uiteenzetten, voert hij ons iu gedachten mede naar Gods rechterstoel. Daarom is het een dwaas beuzelen, als sommigen dit laten slaan op den roem van vroomheid, alsof Abram voor een rechtvaardig en rechtschapen man werd gehouden. Even dom bederven zij den tekst, die zeggen dat Abram aan God de eere der gerechtigheid heeft toegekend, zoodat hij veilig zich op Zijne beloften durfde verlaten, omdat hij Hem als getrouw en waarachtig had leeren kennen. Want al noemt Mozes niet uitdrukkelijk Gods Naam, toch neemt de in de schriften gebruikelijke spreekwijze alle dubbelzinnigheid weg.

Het is dus even dom als onbeschaamd, uit het gezegde dat hem dit tot gerechtigheid is gerekend, iets anders te halen, dan dat Abrams geloof als gerechtigheid voor God is beschouwd. Doch het lijkt ongerijmd, dat Abram gerechtvaardigd is, omdat hij geloofde, dat zijn zaad even talrijk zou zijn als de sterren des hemels. Want dit kon slechts^een bijzonder geloof zijn, dat tot volkomene gerechtigheid des menschen allerminst voldoende is. En welke kracht schuilt er in eene aardsche en tijdelijke belofte ten opzichte van de eeuwige zaligheid ? Ik antwoord, dat dit „gelooven" waarvan Mozes spreekt, niet tot een gedeelte wordt beperkt, maar de geheele belofte, die hier vermeld wordt, omvat. Voorts, dat Abram niet slechts naar de Godsspraak van dat oogenblik het beloofde zaad schatte, maar ook naar andere, waarin eenige bijzondere zegening daaraan verbonden was.

Daaruit besluiten wij, dat hij niet maar het een of ander gewoon zaad heeft begeerd, maar zulk een, waarin de wereld zou gezegend worden. Staat iemand er beslist op, den zin zoo te verdraaien, dat op Christus slaat, wat over Abrams kinderen in het algemeen wordt gezegd, zoo werp ik hem in de eerste plaats tegen, dat niet ontkend kan worden, dat God de vroeger aan Zijnen knecht gedane belofte thans herhaalt, om op zijn klacht te antwoorden. Wij hebben echter gezegd, en de zaak zelve wijst het duidelijk uit, dat Abram door de beschouwing deibeloofde zegening, tot zulk een sterk verlangen naar een zaad is aangezet. Daaruit volgt, dat deze beloften niet afgescheiden van de anderen door hem is aangenomen.

Sluiten