Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik heb u uit uw vaderland uitgeleid, om u tot een heer en erfgenaam daarvan te maken.

Dat ik thans met u spreek, is eene voortzetting van hetzelfde plan, zoodat gij niet moet meenen, dat gij bedrogen of met ijdele woorden zijt misleid. Ik verzoek u te denken aan onze eerste overeenkomst, opdat de nieuwe belofte, die ik thans na vele jaren herhaal, op des te beteren grondslag ruste.

8. Hccrc God, waarbij zal ik weten. Hét schijnt ongerijmd, dat Abram, die tevoren eenvoudig aan het woord Gods geloof sloeg, en geene enkele vraag opperde over de hem gegevene beloften, thans twijfelt, of hetgeen hij uit den mond Gods verneemt, wel waar is. Ook komt hij Gods eer te na, want hij murmureert niet slechts tegen Hem, terwijl Hij spreekt, maar hij eischt ook, dat hem in iets anders eenig onderpand zou gegeven worden. Doch vanwaar anders is de kennis des geloofs dan door het Woord ? Het is dus te vergeefs, dat Abram niet genoeg hebbende aan Gods woord, zekerheid zoekt te verkrijgen aangaande het toekomstig bezit der aards. Ik antwoord op deze bedenking, dat de Heere nu en dan aan zijne kinderen vrijheid geeft om tegenwerpingen te maken die bij hen opkomen. Want Hij handelt niet zoo stipt met hen, dat hij geene ondervraging duldt.

Hoe vaster Abram overtuigd was van Gods waarachtigheid, en hoe meer hij gehecht was aan Zijn woord, des te gemeenzamer ontlast hij zijne zorgen aan het harte Gods. Bovendien bestond tegen langer verwijl geen gering bezwaar. God had hem een groot deel zijns levens reeds laten wachten, en nu spreekt Hij op nieuw uit, dat de door ouderdom uitgeputte en niets dan dood en graf voor oogen hebbende grijsaard, heer des lands zou zijn. Niet vanwege de moeilijkheid verwerpt hij deze schijnbaar ongelooflijke tijding, maar hij toont, door Welk eene bezorgdheid hij wordt gedrukt. En dit is eer een bewijs van geloof, dan een teeken van ongeloof, dat hij God ondervraagt. Goddeloozen stemmen de beloften in geenerlei wijze toe, omdat hun gemoed met verkeerde gedachten vervuld is, maar de vromen, die de beletselen in hun vleesch gevoelen bestrijden deze opdat zij Gods Woord niet den weg versperren, e:i zoeken medicijnen voor de kwalen, waarvan zij zich bewust zijn. Toch houde men in het oog, dat er ook eenige bijzondere gemoedsbewegingen in de heiligen geweest zijn, die wij thans

Sluiten