Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besloot, dat God Zijn bevrijder zou zijn, nadat de jammeren ten hoogsten toppunt waren geklommen. Men vraagt echter, of dit getal jaren uitkomt. Enkelen beginnen te rekenen bij den uittocht uit Charran. Doch meer waarschijnlijk is het, dat slechts den tusschentijd wordt aangegeven, alsof gezegd werd : „Uwe nakomelingen moeten geduldig wachten, omdat ik besloten heb, niet voor het vierhonderdste jaar te geven, wat Ik nu beloof, want tot dien tijd zal hunne slavernij duren". Overeenkomstig deze redeneering zegt Mozes, Exod. 12 vs. 40 dat de kinderen Israëls vierhonderd en dertig jaren in Egypte hebben gewoond, schoon men uit het zesde hoofdstuk kan opmaken dat er niet meer dan twee honderd en dertig jaren zijn voorbijgegaan, van dat Jacob daarheen toog tot op de bevrijding. Waar zullen wij dus de overige tweehonderd jaren vinden, dan door te rekenen vanaf de Godspraak ?

Trouwens, Paulus heft allen twijfel op, als hij Galaten 3 vs. 17 evenveel jaren telt van het Genadeverbond tot de afkondiging der wet. Kortom, God geeft niet te kennen, hoe lang de slavernij des volks van het begin tot het einde zou duren, maar voor hoe langen tijd God zijne belofte wilde uitstellen of verschuiven Dat Hij echter dertig jaren weglaat, is niet nieuw en komt meermalen voor, zoadat de jaren niet nauwkeurig worden berekend, maar slechts ronde getallen worden genoemd. Wij zien dus dat hier kortheidshalve dien geheelen tijd door vier eeuwen wordt aangeduid. In het weglaten van een kort tijdsbestek ligt niets ongerijmds. Dit beschouwe men als hoofdzaak, dat de Heere, om het geduld der Zijnen te oefenen, Zijne belofte vier eeuwen uitstelt.

14, Het volk dat zij zullen dienen. Thans wordt hieraan een troostwoord toegevoegd, waarin dit het voornaamste is, dat God getuigt de wreker val Zijn volk te zullen zijn. En daaruit volgt, dat het heil van hen, die Hij tot kinderen heeft aangenomen, Hem ter harte gaat, en dat Hij niet zal dulden, dat zij ongestrafd gekweld worden door slechte en misdadige menschen. Hoewel Hij met name hier de straf der Egyptenaren uitspreekt, zoo blijkt toch, dat dezelfde straf voor alle vijanden der Kerk geldt, gelijk ook Mozes in zijn lied voor alle volken en tijden den regel laat gelden, dat de Heere de vervolging der rechtvaardigen straft. „Mij kon.t de wraak toe, zegt Hij, Ik zal het vergelden" Deut. 32: 35. Zoo dikwijls het ons dus ten

Sluiten