Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richtsnoer zou hebben, dan het zuivere Woord Gods.

En Sar ai vernederde haar. Het Woord (Anah)

dat Mozes gebruikt, beteekent hard behandelen en vernederen. Ik denk, dat met dit woord bedoeld wordt „tot rede brengen". Het viel de vertoornde vrouw moeilijk, in het onderdrukken der onbeschaamdheid binnen de perken te blijven. Daarom kan het zijn, dat zij heftiger dan haar betaamde, tegen Hagar is uitgevaren, minder denkende aan hare roeping als aan het wreken der beleediging. Aangezien Mozes niets ernstigs te kennen geeft, neem ik aan wat zeker is, dat Saraï in haar recht geweest is in het bedwingen van de onbeschaamdheid harer dienstmaagd. Uit de gevolgen kan men ten minste opmaken, dat Hagar niet zoozeer door den toorn harer meesteres, als wel door eigen wederspannigheid is aangezet om te vluchten.

Zij had een kwaad geweten, en het is waarschijnlijk, dat Saraï alleen door tal van de heftigste beleedigingen zoozeer in toorn is ontstoken. De vrouw was van een slaafschen geest en ontembare woestheid, en wilde dus liever vluchten, dan door nederige schuldbekentenis weer in genade aangenomen te worden.

7. En de Engel vond haar. Hier zien wij, hoe barmhartig de Heere met de Zijnen handelt, al hebben zij zware straffen verdiend. Gelijk Hij te voren de straf van Abram en Saraï verzacht had, zoo ziet Hij thans met een Vaderlijk oog op Hagar neder, zoodat Hij het geheele huisgezin met Zijne genade begiftigt. Wel spaart Hij hen niet geheel om hen niet te stijven in het kwaad, doch Hij geneest hen met zachte middelen. Het is waarschijnlijk, dat Hagar, toen zij naar de woestijn Sur vertrok, aan wederkeer naar haar vaderland heeft gedacht. Het schijnt dat van de woestijn en de eenzaamheid melding gemaakt wordt, opdat wij zouden weten, dat zij ellendig bedroefd, buiten alle menschelijk oog heeft omgezworven, totdat haar de Engel tegenkwam. Schoon Mozes de gedaante van dit gezicht niet uitdrukkelijk noemt, twijfel ik toch niet, of de Engel had een menschelijk lichaam, waarin de teekenen van hemelsche heerlijkheid kenbaar waren.

8. Hagar, gij dienstmaagd van Saraï. Door dezen bijnaam verklaart de Engel, dat zij, hoewel uit de handen harer meesteres ontkomen, toch slavin bleef, want de vrijheid wordt niet door diefstal, maar door vrijlating verkregen. Voorts toont God met dit woord aan, dat Hij de burgerlijke orde goed keurt, en

Sluiten